elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dubbelen

dubbelen , [nalezen, aardappels zoeken op een reeds gerooid land] , dobben , dùbben , aardappels zoeken op een reeds gerooid land, nalezen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
dubbelen , döbbele , dobbele , werkwoord , döbbelde, gedöbbeld , dubbelen , VB: Ich been 'n rönde op hëum oétgeloüpe, ich heb 'm gedöbbeld, zoegezaag.; dobbele
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dubbelen , [verdubbelen ] , döbbele , döbbeltj, döbbeldje, gedöbbeldj , 1. verdubbelen 2. iemand op een ronde achterstand zetten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dubbelen , döbbele , werkwoord , dubbelen (samen spelen)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal