elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eerbiedig

eerbiedig , eerbiedig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , eerbiedig In de kerke meuj je eerbiedig gedregen (Bov), As oonze volk wil èten, dan zeg de va of de moe: Kiender eerbiedig. Dat wil dan zeggen haandties volden en de oogies dichte (Hol), Ze zaten eerbiedig te lustern (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eerbiedig , [met respect] , eerbiejig , eerbiedig. in de kerk moesse de jong eerbiejig de pet afdoén, in de kerk moesten de jongens eerbiedig hun petje af zetten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
eerbiedig , erbiejig , eerbiedig
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal