elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: erfhuis

erfhuis , ärfhuus , veiling van een nalatenschap.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
erfhuis , erfhuus , boeldag.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
erfhuis , erfhuis , openbare verkoop van een nagelaten boedel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
erfhuis , ärfuus , boeldag: veiling van het vee en de inboedel na het overlijden of bij het vertrek van een boer
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
erfhuis , ârfhuus , boeldag, sterfhuisveiling. ’t Was hâstikke druk gistern op ’t ârfhuus.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
erfhuis , èèrefhùìjs , openbare verkoop
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
erfhuis , erfhèùs , zelfstandig naamwoord , erfhuis; Mandos, Brabantse Spreekwoorden: Geurtjes èrfhèùs (Kn'50) - onderlinge verkoping bij arme mensen, op zondagmiddag, zonder notaris
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal