elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: foezelen

foezelen , foeselen , Wegsteken.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
foezelen , foezeln , (Marne) = frommelen, knoeien in ’t geheim; hij foezelt ’r wat mit om.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
foezelen , foezelen , (zwak werkwoord) , Bij de visserij. Vissen met de foezel, met het foezelnet langs de grond strijken en zo de vis opvangen. Het foezelen heeft plaats bij koud weer, tegen de winter, en geschiedt door twee vissers. De een loopt op de wal en trekt het net voort, de ander zit in de schuit en duwt. Men strijkt met het net stijf langs de wal en de grond en trekt er zodoende alle vis in. Met de foezel wordt vooral karper en baars gevangen. Zie foezel. || We ganen morgen foezelen. – Vgl. affoezelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
foezelen , foêzele , valsspelen
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
foezelen , foêzele , koonkelfoêze , en bitje stiekem de zaak regele.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
foezelen , foezele , werkwoord , oneerlijk spelen. 1. De waarheid verbergen, bijv. bij het invullen van zijn belastingbiljet. Of met het opgeven van zijn leeftijd. 2. Bedrog plegen bij het kaartspel.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
foezelen , foezelen , foezelen, efoezeld , wegmoffelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
foezelen , foezeln , foenzeln , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe. Ook foenzeln (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. knoeien, prutsen Wat hej die mouw der raar in foezeld (Sle), Och, ik heb hum maor even hulpen, want hie zat daor te foezeln met die jurk (Exl), Aj heur vandage een lappe brengt, hej morgen de jurk klaor, maar ie mut niet kieken hoe ze hum ien menaar efoezeld hef (Ruw), Veur een neie revu foezel ie zo weer wat te hope (sa: Rui), Goed oprumen is ter niet bij, hij foezelt alles mar an iene bulte (Dwij) 2. bedriegelijk te werk gaan (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Daor foezelt ze nog wel ies mit de draank (Dwij) 3. voortdurend bewegingen maken (po, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) De olde knaokerige haanden foezelden in de locht (Mep), Hie lag te foezeln met zien handen (Exl), zie ook fochteln, foggeln 4. wegmoffelen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
foezelen , foezelen , stiekem iets doen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
foezelen , foezzele , vals spelen , Ge moet nie zó foezzele daor haauw'wek nie van, ik zal'lew in de gaote haauwe. Je moet niet zo vals spelen daar houd ik niet van, ik zal je in het oog houden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
foezelen , foezelen , werkwoord , haastig en daardoor niet degelijk, niet nauwkeurig in elkaar zetten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
foezelen , fóézele , stiekem doen, wegmoffelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
foezelen , foezelen , (werkwoord) , foezelen, efoezeld , 1. uitrafelen; 2. prutsen, haastig of slecht werken; 3. klein schrijven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
foezelen , foezele , oneerlijk spelen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
foezelen , foesele , foezele , werkwoord , stiekem regelen (Helmond en Peelland); foezele; vals spelen (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
foezelen , foezele , zwak werkwoord , foezele - foezelde - gefoezeld , "1. vals spelen; 1971 - Foezelen bij het kaartspelen zou, volgens onze zegsman duiden op ""slecht spelen"". Wij dachten dat het meer te maken had met oneerlijk spelen. (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 125, 7-6-1971); 2. verbergen; Hij ha zolang gefoezeld tòdèt wèg waar. 1971 - Men kan ook iets wegfoezelen. Dat betekent heimelijk wegmoffelen. (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 125, 7-6-1971); WBD (III.3.2:30) foezele, foetele = vals spelen; ook: ont doen, ont spelen, vals spelen; WBD (III.3.2:187) foezele = een list gebruiken bij het kaarten; Stadsnieuws: Ge moet meej hum aatij oppaase dèttie nie zit te foezele (121108); K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - FOETELEN: in het spel bedriegen, onrecht doen - Hier van daan FOETELER. Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – foezele ww - oneerlijk spelen; bedrog plegen; 3. stiekem vrijen; 1975 ca. – Lechim - En Kees lee stiekum mee z’n Sjaan/ Te foezele in de haai/ Dè maag wel nie van de pestoor/ Mar 't is toch ommers maai. (uit: 't Wier wir maai; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal