elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: frut

frut , frut , zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord , in de war. In de frut raoke, bij voorbeeld van een streng garen. ’t Zit lillek in de frut (in de war). ’t Is frut (’t is naatje pet). Geniemes wies nog hoe ’t schaaide, mar de sik hègget öt de frut gedaon. Niemand wist nog hoe het in elkaar zat, maar de secretaris heeft het opgehelderd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
frut , frutje , fopspeen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
frut , frut , knoop , És ik éij was dan deej ik dé hiil anders, want dé schiet strak in de frut. Als ik jullie was dan deed ik dat heel anders, want dat schiet straks in de knoop.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
frut , frut , woedend , Héij schóót me toch inins in zun'ne frut, ze hôn'nem dörrum ók 'n goej óór ôngenaojd. Hij werd me toch ineens woedend, ze hadden hem dan ook ontzettend bedonderd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
frut , frut , warboel
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
frut , frut , narigheid , Tis een én al frut! Het is een en al narigheid!, In de frut zitte. In de nesten zitten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
frut , frót , zelfstandig naamwoord , pruillip (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
frut , frut , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , ventiel van voetbal
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
frut , fröt , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , frotte , (Ospels) kind, pasgeboren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
frut , frut , zelfstandig naamwoord , "mislukking: tis frut - het is een mislukking; Pierre van Beek: tis frut meej den bók - het gaat niet naar verwachting; 't Is wir frut bekaant. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929); Van Delft - ""'t Is 'n uir, zee Jan Tooten, en de kat jongde in z'n pruik"", waarvoor men ook wel hoort: ""'t Is frut, zee Jan van Pelt"", als iets niet goed lukt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929); – mar mee de buurvrouw was et frutjes! (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Van Kees en Kee’, 1941); Pierre van Beek – ""'t Is 'n uir, zeej Jan Tooten en de kat jongde in z'n pruik!"", een opmerking, die men horen kan als iets niet goed lukt. Eenzelfde betekenis heeft ook: ""'t Is frut, zeej Jan van Pelt!"" en ""'t Is knudde mee den bok!"" (Tilburgse taalplastiek 4 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 25 februari 1950); Mandos, Brabantse Spreekwoorden: zó frut as den eezel van Stien-óllie (RL'77( - zo onooglijk als de ezel van S.O) een bekende petroleumventer [WTT: de venter = Stien Ollie]; prop van papier; Pierre van Beek – Men praat ook van een ""frut papier"", d.i. een propje in elkaar ""gefrommeld"" papier. (Tilburgse taalplastiek 4 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 25 februari 1950); varkensblaas; verkorting van frutblaos (zie daar); Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “Heej Toon òf Lewie òf onverschilleg wie twa: “Ge krèègt ene frut as ge et vèèreke zen gat kust” èn zôo ging dè witte nie”. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels; verwarring: öt de frut doen - ontwarren, ophelderen; Pierre van Beek – 't Woord ""frut"" wordt in Tilburg ook nog gebruikt in het gezegde: ""'t Zit in de frut"" als men wil aangeven, dat iets in de war is. (Tilburgse taalplastiek 4 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 25 februari 1950); WBD frut (II:1035) - frut: garen dat men (in de spoelgaatjes) erbij stopt; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – frut zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord - in de war: in de frut, öt de frut doen; A.P. de Bont: frot II, zelfstandig naamwoord vr. en m. 'frut' (alleen in de zegsw.:) op 'n/ene frut ötdraeie - op niets uitlopen. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  FROT, FROTS zelfstandig naamwoord v. - verbrodde, mislukte zaak; FRUT bijwoord - frut schieten (speelterm) misschieten, er nevens schieten; bijnamen; K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - frutje Maos = J.L. Maas (blz.53); K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - frut Hirkes = Heerkens, Piusstr. (blz .41); K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - frutje Maos = J.L. Maas (blz.53); K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - in de frut, öt de frut = Dirk van Maren (blz.54); speen; N. Daamen - handschrift 1916 - ""frut of frutje - zoethoudertje, speen""; Pierre van Beek – …""frut"" was de geïmproviseerde speen, waarmede moeder eertijds de kleine kinderen zoet hield. De moeders deden een paar lepeltjes suiker op een wit linnen lapje, namen hiervan de uiteinden bij elkaar en bonden er een lintje of touwtje om zodat het uiteinde met de suiker een balletje vormde. Als de kleintjes in de wieg lagen te schreien, duwde men ze zo'n ""frutje"" in de mond. Men zag er de kinderen soms echter ook nog wel mee lopen als ze één tot twee jaar oud waren. Als de remedie tegen het huilen niet hielp, werd de ""frut"" door sommige moeders nog wel eens ""gesopt"" in de brandewijn of anisette. (Tilburgse taalplastiek 5 Nieuwe Tilburgse Courant –dinsdag 7 maart 1950); Uiteraard gebeurde het nogal eens, dat de huilende zuigelingen hun ""frut"" op de met wit zand bedekte plavuizen smeten. Moeder streek er dan eens vlug een paar keer mede langs haar schort en dan werd de zoethouder - indachtig het gezegde: ""zand schuurt de maag"" - weer in het mondje van de kleine gestopt. (Tilburgse taalplastiek 5 Nieuwe Tilburgse Courant –dinsdag 7 maart 1950); WBD III.2.2:24 'frut' = speen, ook 'fiep'; WBD III.2.2:26 'frut' = fopspeen; WBD III.4.4:267 'frutje' = hoeveelheid haren of draden; tabak; Ge lopt hil den gòdsgaansen dag/ meej ene frut in oewe mond/ ènt stao gereegeld in de kraant/ rôoke dès nie gezond. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vraog et mar òn de slachter‘)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal