elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gangig

gangig , gangig , (bijvoeglijk naamwoord) , Bij de stijfselmakerij. Een kwade eigenschap van stijfsel, hierin bestaande, dat de stijfsel tengevolge van de zomerhitte gaat nagisten, zodat er gistgaatjes in komen. || Die stijfsel is gangig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gangig , genkig , begaanbaar, te gebruiken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gängig , gèngich , gèngigger, gèngichste , gereed voor gebruik.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gangig , gankig , hij is weer gankig, hij kan weer goed lopen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gangig , gènkig , goed ter been
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gangig , [gaande] , gengig , genketig , weer gaande, bijvoorbeeld na een defect of na een ziekte , D’n doskas waas kepot, mer noe is t’r weer gengig. Door oealie aan ’n mesjien te doon, maaks se ’t weer gengig. Zie waas ei tiedje krank, mer noe is ze weer gengig.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gangig , gengig , bijvoeglijk naamwoord , gengige , in beweging: gengig waere – in beweging/op gang komen (Duits gängig – gemakkelijk werkend, bewegend, licht lopend)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gangig , gengig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lenig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal