elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: huishouden

huishouden , hoesholn , huishouding, en: huisgezin; dei hoesholn deugt nijt = dat is geene spaarzame huishouding; hou is ’t mit joen hoesholn? = hoe gaat het uwe vrouw en kinderen? Drentsch hoeshollîng = huisgezin.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
huishouden , huushoûwe , huishouden, te keer gaan.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
huishouden , huushoûwe , o , huishouden.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
huishouden , huishouwen , zelfstandig naamwoord de/’t , De huishouding (verouderd). | Wie doet deer de huishouwen?
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
huishouden , husjhaawe , gezin: man, vrouw en kinderen bij elkaar.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
huishouden , huushoalen , huishouding, huishouden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
huishouden , hoesholden , sterk werkwoord, onovergankelijk , huishouden Allerwegens kuj nog zeen hoe de sturm in november hoesholden hef (Bei), Zie hebt door aordig hoesholden zijn aardig tekeer gegaan (Bov), Ik kan op het ogenblik niet zeggen woor e hoesholdt uithangt (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
huishouden , huishaauwe , huishouden, gezin.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
huishouden , uus-òllen , werkwoord , huishouden
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
huishouden , hûshaauwe , gezin , Ik zéij van de wèèk meej’t hûshaauwe nog nôr de zeej geweest, mér't was te kaauw. Ik ben van de week met het gezin nog naar de zee geweest, maar het was te koud.
Meervoud hûshaauwes. Vruuger wôrre de hûshaauwes gróót, de aauwlûij hôn't druk meej al die kortórre. Vroeger waren de gezinnen groot, de ouders hadden het druk met al dat kroost.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
huishouden , huusholen , werkwoord , 1. huishouden: tekeergaan 2. in D’r is gien huus mit te holen er is niets mee aan te vangen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
huishouden , huishouwe , uitdrukking , ’t Lijkent wel ‘t huishouwe van Jan Stêên Het lijkt wel het huishouden van Jan Steen (er wordt meestal een naam genoemd van een huishouden dat als niet al te netjes op het dorp te boek staat. Voorbeelden: een huishouwe van Keaas; een huishouwe van Annekoos)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
huishouden , hoéshawe , zelfstandig naamwoord onzijdig , hoéshawes , - , gezin , VB: E groet hoéshawe.; huishouden VB: E groet hoéshawe. Zw: Dat ês mich dao oüch 'n hoéshawe: een huishouden van Jan Steen
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
huishouden , hoéshawe , werkwoord , huishouden , (zie 'houden') VB: De sjtuerm hèt fleenk hoésgehawe ién dy kiësewej.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
huishouden , hùìjsháúwe , 1. huishouden; 2. gezin
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
huishouden , haushaawes , huishoudens
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
huishouden , uisouwe , huishouden, gezin.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
huishouden , uusollen , (zelfstandig naamwoord) , huishouden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
huishouden , huishèèwe , huishouden, dagelijkse gang van zaken in een gezin , Bèij de buure is ’t ’n huishèèwe van Jan Steen. Bij de buren is het een huishouden van Jan Steen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
huishouden , [tekeergaan] , huishèèwe , tekeergaan, huishouden , Die stùrm hi flink huisgehèèwe. Die storm is flink tekeergegaan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
huishouden , hoeshaoje , huishouden, kapot maken , Dae haet dao aardig hoesgehaoje, dae haet alles kepot gehouwdj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
huishouden , hoeshaoje , (onzijdig) , huishouden , Det is mich dao ein hoeshaoje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
huishouden , hoeshaoje , zelfstandig naamwoord , hoeshaojes , huishouden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
huishouden , hoêshaoje , zelfstandig naamwoord, onzijdig , hoêshaojes , huishouden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
huishouden , höshaawe , zelfstandig naamwoord , huishouden; Cees Robben – In elk pront Tilbörgs höshaawe daor hebbe ze unne frater, ’n non, ’n piano en ’n dochter die Miet hiet... (19690627); Interview Hermans - 1978 - “Want agge dan mèskes hèt, war, die en jaor òf neege zèn èn ge hèt en grôot höshaawe, war, dan moese ze veul meejwèrke”. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal