elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jager

jager , joager , scheepjagerspaard. Vergelijking: dun as’n joager, van dieren gezegd. Zie ook: joagen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
jager , jager , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb., en vgl. de samenst. duiveljager, verrejager. Ook in de volgende opvattingen. – 1) Bij vissers. Een soort van snoek met zeer grote kop. 2) Aan een zeis. De gebogen tenen twijgen of ijzerdragen, bovenaan bij de zen (het maai-ijzer), waarmede het gemaaide gras op het zwad (de rechte streep waarop het gras komt te liggen) geschoven wordt. 3) In een oliemolen. Hetz. als jaagijzer; zie aldaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
jager  , jaeger , jager.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
jager , jager , zelfstandig naamwoord de , Ook: jagende snoek, snoek die een groot gebied afjaagt. Dit type is doorgaans wat langer en dunner en wat donkerder gekleurd dan een zogenaamde lègger (letterlijk ligger). Vgl. lègger.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
jager , jaeger , mannelijk , jaegesj , jager.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
jager , jager , de , jagers , Var. als bij jagen = 1. jager Ze hoefden hum niet te leren hoe hij een geweer vaste mus holden want hij was al vieftig jaor jager (Mep), Jagers hebt miesttied grote verhalen (Dwij) 2. deel van de zeis, korenjager (Zuidoost-Drents veengebied) Hier hadden ze veur het gres een korte en veur koren en lange jager (Bco) 3. (ook verkl.) spel, waarbij de jager anderen aftikt Jaeger was mit ’n allen um de schole lopen. Ene mus tikken en wie dan tikt worde, mus wèer helpen tikken (Wap), Jager is van de iene kaante de aandere kaante zien te bereiken zonder deur de vanger etikt te worden (Mep), Dat spel was hier jaoger en hond’ (Rol), Dat spel was hier haosie en hond (Zui), (...) ‘de jager was de tikker en de getikten waren de honden’ (Bal), ook spel met bal, waarmee de jager een ander moest zien te raken (Coe) of: één met een geweertje was de opzoeker en ‘schoot’ dan het wild (Hoh), zie ook haasienjagen 4. vrouwenversierder (Zuidwest-Drenthe, noord) Die man dat is een jaeger (Dwi) *Een goeie jager schöt gien haze in het nöst (Pes); De kalmste jagers vangt het meest wild (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
jager , jagerd , de , jagerds , 1. drijver Die man dat is een jagerd, die jag je aaid op (Sle) 2. dier, dat niet drachtig te krijgen is, meestal van een koe (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Het is lastig aj zo’n jagerd maank het vie hebt (Oos), Die koe vaort wèerumme het is een jagerd (Uff), ...die doew in de vetweide (Ndo), Een varken dat niet drachtig wil worden is een jaegerd (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
jager , jeger , rond ijzer op de zeis-boom.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
jager , jager , jager
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
jager , jaogers , jagers , De jaogers moete de kniin in de hand zien te haauwe, anders moppere de boerre. De jagers moeten de konijnen onder controle houden, anders mopperen de boeren.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
jager , jaeger , zelfstandig naamwoord , de; 1. iemand die op wild jaagt 2. beugel die men bij het maaien op de zeisboom zet en die het gemaaide bijeenhoudt om het in de gemaaide strook te leggen, met name dienstig in geval van lang gras en bij het maaien van graan 3. koe die vaak tochtig is 4. afgetrommelde zwerm bijen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
jager , jèger , zelfstandig naamwoord mannelijk , jègers , - , jager , VB: De jèger haw dry knyn en twie fezaante gesjoëte.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
jager , jaoger , jager.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
jager , jaeger , jieëger , (mannelijk) , jaegers,jieëgers , jaegerke, jieëgerke , jager
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
jager , jeêger , jieëger , zelfstandig naamwoord, mannelijk , jeêgers/jieëgers , jegerke/jieëgerke , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); jager
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
jager , jaoger , zelfstandig naamwoord , jager; Bijnamenboek Karel de Beer - Kees de jaoger = Kees de Kokken (blz. 50)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal