elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaatsen

kaatsen , ketsen , kaatsen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kaatsen , kátse , kaatseballen, kaatsen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kaatsen , kètse , werkwoord , kaatsen. 1. Spel dat door meisjes met een, twee, drie of meer kètsebolle werd en wordt gespeeld onder het zingen van een liedje. Het spel kent veel, vaak kunstige, variaties. 2. De Kèts verkorting van Kètsheujvel, Kaatsheuvel. In de Kèts wònden vruuger veul schèèresliepers.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kaatsen , kotsen , katsen, kaatsen, kaotsen, kotseln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook katsen (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), kaatsen (Zuidwest-Drenthe, zuid), kaotsen (Kop van Drenthe), kotseln (Midden-Drenthe) = kaatsen De wichter waren met mooi gekleurde kotseballen an het kotsen tegen de schoolmure (Hijk), Ze bennen an het kaotsen met drei kaotseballen (Eel), zie ook kotseballen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kaatsen , kaotsen , het kaatsspel spelen (een bepaald slagbalspel), kaatsenballen, kaatsen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kaatsen , käsen , (Gunninks woordenlijst van 1908) kaatsen, in: Gunninks woordenlijst van 1908: Käse de bal, ik eb oe al (kinderdeuntje)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kaatsen , kaetsen , werkwoord , hetz. als katsjeballen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kaatsen , kôtse , kaatsen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kaatsen , ketsele , kaatsen, een balspel dat door meisjes werd gespeeld
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kaatsen , kètse , kaatsen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kaatsen , kaatse , werkwoord , kaatsj, kaatszje/kaatsdje, gekaatsj , kaatsen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kaatsen , kètse , katsele , zwak werkwoord , 1 kaatsen - sport en spel; H. van Rijen (1988): kaatsen; Frans Verbunt:  'kètsebòlle' - kaatsen als meisjessport, c.q. -spel; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): kètse ww - kaatsen; 2. afgeleid van 1; steentjes (stintjes) kètse; een kiezelsteen op het wateroppervlak gooien zodat de steen afketst op het water, liefst meerder keren achter elkaar; zie klètse; zie stintje kètse; katsele; kaatsspel (kinderspel); Cees Robben –  Hij haauwt lang weg mee zunne gaoren-bol... Dan kumme niet gaon katsele..  (19671215); DANB 'mèrt' ist nòg te kaaw óm te katsele - in maart is 't nog te koud om te kaatsen; WBD (III.3.2:125) katsele, bólle = ballen, met de bal spelen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal