elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: a

a , aa ,  ao , 1. In Noord Drente, Assen, Rolde, enz. luidt de open a vrijwel als oa; in ODr., Dalen, Oosterhesselen, Zweeloo, Sleen, enz. nagenoeg als aa; in Ruinen, Ruinerwold, Nijeveen, Hoogeveen, Zuidwolde, De Wijk is ’t vaak ae, in Dwingeloo en Diever ea (als in ’t Fransche j’ai, etais, enz.) In deze lijst zal de open a meestal door ao voorgesteld worden; dikwijls hebben wij echter de spelling der schrijvers in ’t Drentsche dialect gevolgd. 2. als verlenging der onvolkomen a; haand (hand), Haarm (Harm), aans (voor ans = anders); aarg (erg, arg), gaanze (gans), gaasten (gasten, en: te gast gaan), kaarke (kerk), ewaarkt (gewerkt), laand (land) enz. In ’t Oldampt (Gron.) doet zich hetzelfde verschijnsel voor, ofschoon minder sterk; maarkt = markt = gemerkt, laai, lai = lui, Kil. lake, laek; lam, laem. Oostfr. lak, laak; haand = hand, enz. Evenmin voor Drente als Groningen kan m.i. de spelling met aa voor gesloten a als regel aangenomen worden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
a , a , vóór l klinkt bij velen als o: al luidt als ol, als als ols, enz. Dit zelfde wordt in West-Vlaanderen opgemerkt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
a , a , vóór n = ai gevolgd door je of ke: mainje, kainje, panje, painje, prainje, enz. waarvoor ook geschreven wordt: maanje, kaanje, enz. = mannetje, kannetje, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
a , a , De onvolkomen a wordt in sommige deelen onzer provincie met eenige wijziging, zweemende naar aa, uitgesproken. Dit is o.a. het geval in ’t Oldampt (met name in de Veenkoloniën), in ’t Westerkwartier en op ’t Hoogeland. In het tooneelstuk: Oneerlek kregen (Hoogeland) komt o.a. voor: wat van aan (= wat van an); verstaand; aalgemijn; aallijn; aalmaal; waas (= was); aarm (= arm); aagste (achtste); belaang (belang); ’t laand (’t land); aalles (alles); laast (last); haals (hals); U. Wierda schrijft: sneibalen (sneeuwballen); walen (wallen); ale (alle). In het tooneelstuk: ’n Olle rōt in de vaal (Westerkwartier): haalve (halve); tongvaal; harbaarg; ofstaand (afstand); aal (al); Haarm (Harm); maarken (merken); haart (hart); daank (dank); aandere (andere); haalf (half); kaalm (kalm); staark (sterk), Goudschaal (Oldampt): kaaiern (kaiern, wandelen); schaande (schande); Hazewinkel (Veendam): staark, waark. Reinkingh: aan koop (= an koop). – Daar deze aa geenszins met de Nederlandsche open a gelijkluidend is, maar alleen door eene langzame, slepende, lijmige, eenigszins door den neus voortgebrachte uitspraak ontstaat, zou a met een teeken wellicht beter aan het doel beantwoorden; H. Bouman maakt in zulke gevallen gebruik van het kapje. Daar de lengte dezer a zeer afhankelijk is van de volgende letter, moeten wij die uitspraak tot de min zuivere rekenen; in ’t Goorecht en Fivelgoo wordt zij niet gehoord. Eene vergelijking met de Friesche â, die echter meer door den neus wordt uitgesproken, zou niet ongepast zijn. In sommige streken van Drente, alsmede in Noord-Brabant en Zuid-Nederland neemt men deze klankwijziging waar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
a , oa , Deze klank, die de open a moet vertegenwoordigen, wordt in de Ommelanden het minst volmondig uitgesproken en grenst soms bijna aan de o in los, enz. – Niet altijd echter is die a door oa te vervangen; uitzonderingen hierop zijn: De onvoltooid verleden tijd. meervoud der werkwoorden: eten, geven, lezen, zitten, vreten, breken, steken, bevelen, bidden, begeven, vergeven, halen, klagen, komen, liggen, meten, stelen, maken (Grijpskerk moek), praten, treden, zijn. – Voorts: aardappel (eerappel, eerdappel); aalbes (albeer met de samenstellingen) adres (addres); aan (an, in alle samenstellingen) aanvaarden (anveerden); academie (akkedemie); abrikoos (appelkoos); agurkje (augurkje); anijs (annies); aarde (eerde, eer, soorten van aarde); April (Appril); apotheek (aptijk); apart (appart); begrafenis (begraffenis); barak (brak); balans (belans); balein (belien); braken (breken, vomeeren); damast (demast); familie (fermilie); gaat (gait); gaatje (gatje); gapen (gappen); gaarn (geern); glaasje (glaske; glassie, glassien); haar (heur); haard (heerd); japon (jepon); kanaal ( kenoal); kanarievogel (kenarrievogel); Kaakheem, (Kokhijm, Kokhaim); kanon (kenon); kapitein (kaptain); katoen (ketoen); katrol (ketrol); kazerne (kezern); koralen (krallen), kaas (kees, keeze); klateren (klettêrn); kapittelen (kepittêln); kapitaal (kaptoal); kaars (keers, keerse); karel (kerel); kameraad (kamroad); kaneel (kenijl, kenail); kapelaan (kappeloan); kapuitsmuts (kepoetsmuts); kapittel (kepittel); kajuit (kejuut); karaf (kraf, kraft); kabaal (keboal); laag (leeg); lagerwal (leegerwal); laars (leers); lantaarn (lanteern); lawaai (lewai); Latijn (Letien); magazijn (maggezien); matras (metras); matroos (metroos); mama (màmmà); madeliefje (melijfke); manier (menijr); Maart (Meert); Maarten (Meerten, Marten); naald (nal); navel (naffel, navvel); nachtegaal (nachtegal); opzamelen (opsammelen); paars (pèrs); paard (peerd); papier (pampier, pōmpier); praten (Oldampt proten); papa (pappe); papegaai (pappegoai); patroon (petroon); patent (petent); pokdaal (pokdel); plateel (plàtijl); paleis (pelais); patrijs (petries); rapalje (repalje); parel (perel); paadje (padje); raadje (radje); satijn (setien); schateren (schattêrn; schottêrn); schavot (schevot); Spaansch (Spaas); staat (stait); smalen (smeelen); staart (steert); tapijt (tepiet); twaalf (twalven, twalm); vaars (veers); vacantie (verkansie); vaardig (veerdig); vagen (vegen); verlagen (verleegen); zwaluw (swalfke); zwavel (swevel); zwaard (sweerd); zamelen (sammeln); waden (wadden); waard (weerd); zwavel (swevel); zwavelen (sweveln). In enkele woorden neemt het Groningsch dien klank aan voor de onvolkomen a, e, enz.: koar = kar, kruikar; anvoaten = aanvatten; Lijwoarden = Leeuwarden; te voat komen = vat krijgen; woat = wrat; oakster = ekster; stoal = steel; koap = kobbe; sproa = spreeuw. In den tweeklank aai behoudt de oa dien klank in: toai, soai, (bijvoeglijk naamwoord), poaien; overigens wordt hij: ai; zie: ai 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
a , a , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook een A-vormig houtje aan de hengeltouwen (staartlijntjes) in de koestal. ǁ Hij heb a’s an zijn steertlijntjes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
a , a* , (bladz. 494): het gebruik van deze letter inplaats van de e blijft in Overijsel ook den zeer beschaafden vaak levenslang bij, maar de a klinkt daar nooit al aa, gelijk in sommige streken van onze provincie. Omgekeerd wordt in Overijsel de a vaak tot eene eenigszins gerekte e, bvb. in wêrm = warm, enz. Nog valt op te merken, dat, terwijl men menigmaal staark hoort voor: stark, en waarm voor: warm, enz., het omgekeerde plaats heeft bij start (steert) = staart, en Marten (Meerten) = Maarten. Ook het Duitsch heeft soms a in dezelfde woorden als het Groningsch, doch in andere gaat die letter in i over, of de e blijft, als in ’t Nederlandsch: Groningsch / Nederlandsch / Duitsch: stark / sterk / stark; klap / kleppe / Klappe; varf / verf / Farbe; kaspel / kerspel / Kirchspiel; bark / berk / Birke; kars / kers / Kirsche; trachter / trechter / Trichter; barg / berg / Berg; harst / herfst / Herbst; starven / sterven / sterben
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
a , aa , aa, bee, see / et kėtje löp door de sjnee / et hunjtje löp em nao / en bit em in de brao
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
a , a , ao , Ook ao = ach, och A jong, hoe hej dat toch had? (Sle), A, wat mankeert je nou, dat moej niet doon! (Bei), Hoe was het feest? Ao, het gung wel (Anl), A bah, wat vies! (Zdw), zie ook bij o
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
a , a , de , a’s , a, eerste letter van het alfabet Wel a zegt, möt ok b zeggen (Sle), Aj a ezegd hebt, muj ook b. zeggen (Hgv), Dei ken ik wel zo goud, van a tot z (Vri), Hij kun het van a tot z opzeggen (Bov), Hij kent gien a vèur een b is dom (Mep), of Hij kan gien a van een b onderscheiden (Smi), Van a tot amen van a tot z (Git)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
a , a , tussenwerpsel , groet , (gemeenzame groet) a (kort uitgesproken) VB: A, menneke, ês de pa dao?
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal