elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanzetten

aanzetten , [aan het werk zetten] , aanzetten , (werkwoord) , 1) voor laten beginnen; 2) als (onzijdig) voor vermeerderen, toenemen, en zulks zoo wel in een’ morelen als een physieken zin. , 1) ik zal den knecht aan ’t dorschen zetten. Ook voor regt doen wedervaren of tot zijn’ pligt doen brengen, (of iemand met magt of regt bekleed) eens aanzetten. 2) de liefde zet hier sterk aan; de koude zet hard aan
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
aanzetten , [aanfokken] , anzetten , aanzetten , aanfokken, ook Overijs.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aanzetten , anzetten , met eenigen spoed tot ons komen, of: met eenige drift, voortkomende uit verlangen; doar kōmt’e anzetten! kōmst d’r anzetten, mien jong? = zijt gij daar, mijn jongen? Vgl. v. Dale art. opzetten, en: aanzetten.
voor: groeien; ’t zet nijt hard an, ’t is te kold = de vruchten groeien niet snel; daarvoor is het weder te koud.
voor: verzetten, in: zich er tegen anzetten, nl. tegen zwaarmoedigheid, droefgeestigheid, enz., zooveel als: tegenstand bieden, daartegen in verzet komen; doar mout ie joe tegen anzetten = aan de droefheid moet gij niet te veel toegeven. (v. Dale: zijn droefheid verzetten = verdrijven, uit het hoofd zetten.)
voor: licht aanbranden, bij v. Dale: zich aanzetten.
met een hevigen ruk aantrekken, van paarden die eene zware vracht in beweging moeten brengen; de peerden willen nijt tegeliek anzetten, de woagen blift in de mōdder zitten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanzetten , anzetten , aanschaffen, koopen en voor eigen gebruik in werking stellen; ’n peerd, ’n woagen, ’n piep, ’n brik, ’n kachel anzetten (Westerkwartier, Hoogeland), en tegengestelde van: deurzetten (zie aldaar) Drentsch aanzetten = aanfokken; Overijselsch, Noord-Brabant = vermeerderen. Vgl. anstellen.
aanleggen van turven door ze overeind bij het vuur te zetten; vuur anzetten = vuur aan den haard leggen. Aan den vuurhaard zet men de turven steeds rechtop.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanzetten , anzetten* , 1, vgl. anstellen * (bl. 498) en ’t Nederlandsch aanstellen, vergel. ook “aanzetten” en “toestellen” bij v.Dale; Geldersch: toestellen = aanschaffen; (bldz. 498) ook voor: aanleggen van een kachel of een vuur, v. Dale geeft het als weinig gebruikelijk op. – Bij v. Dale ook: zich aanzetten = licht aanbranden; 2, Nederlandsch ook: aanzetten en: opzetten;.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
aanzetten , ánzétte , aanwerk Flink ánzétte Flink aanwerk maken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanzetten , anzette , werkwoord , in de zegswijze ’t zet niet an, het is de moeite niet, het levert te weinig op.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanzetten , aazëtte , zat aan, haet of is aagezat , aanzetten. Aanzetten van scheermes; knoop aannaaien; machine starten; leerling opleiden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanzetten , anzetten , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. aanzetten Wost doe mie even een knoop anzetten? (Bov), Wij hebt een stuk bij die ledder anzet (Gas) 2. inschakelen, een begin maken Een klouwen gaoren anzetten beginnen (Hgv), De radio anzetten (Smi), Aj ’s mörgens reur komt, moej eerst het vuur anzetten (Sle), ...de kachel anzetten aansteken (Row) 3. een zet(je) geven As wij even met mekaor anzet, is het zo gebeurd even samen flink ons best doen (Bal) 4. aantrekken Onverwachts zette het peerd an en toen sluug hij achterover begon met een ruk te lopen (Eri), Dat peerd wil nooit anzetten, aj twie wagens achter mekaar hebt (Pdh), Alveurens de boer ‘Vurt bles’ wil zeggen, zeg hij tegen de knecht: Klaos, helpt even anzetten! (Hav), Het gres zet goud an groeit goed (Bco) 5. aanbakken Het eten, ...de melk is anzet (Zwin), De soep is wat an ezet en dan bedoele wij, dat ze haoste an ebraand is (Hol), Hie zet vet an wordt dik (Sle) 6. slijpen Het scheermes op de reime anzetten (Bco), Die spanzage mut neug an ezet worden, die is zo stomp as wat (Pes), Wie zetten het mes an op de putte (Bov), Ik heb de zende an ezet (Nije) 7. opdraven Hij kwam er mit de heile femilie anzetten (Nsch) 8. aanfokken, optrekken (wb) Hoeveel beest hef hij anzet? (wb), Hij zet er nog een kalf bij an (wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanzetten , ôngezèt , aangeschaft , Ge héd nuuw stuul ôngezèt zie'jik èn 't zén'ner nog meej ne gemakke zit. Je hebt nieuwe stoelen gekocht zie ik en het zijn er nog met een prettige zit.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aanzetten , anzetten , werkwoord , 1. op een kier zetten 2. aanhechten van nieuw garen 3. aanbouwen 4. steviger, hoger maken 5. aankoeken, zich neerzetten van een laag 6. doen toenemen met het bedoelde 7. voeden van een moerdop (bij bijen) 8. gaan groeien (van gewas) 9. verzadigd(er) maken 10. opzetten (van de lucht) 11. aanzetten, stimuleren 12. opjagen, aandrijven (van paarden) 13. opzetten, aanstoken 14. kracht ontwikkelen, een aanloop nemen 15. beginnen te trekken (van trekdieren) 16. in werking stellen 17. doen ontbranden 18. fokken, als vee nemen 19. kinderen nemen 20. door te slijpen scherper maken 21. in anzetten kommen ergens aankomen, naderen 22. gaan naar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanzetten , añzette , werkwoord , zet an, zettende an, añgezet , 1. arriveren, aankomen Daer komme d’r nog twêê añzette Daar komen er nog twee aan 2. blinden sluiten (tegen de hitte, of bij rouw in de straat); 3. D’n taefel añzette De tafel dekken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanzetten , aonzitte , werkwoord , dikte , (dikte veroorzaken) aonzitte (zat aon, aongezat) VB: Ët mer neet te vëul sjôklaad, dè zit aon.; vasthechten (van voedsel); aonzitte (zat aon, aongezat) VB: 't Wäoter wäor verkoëk, toch wäore de êrpele mer e bitsje aongezat.; veulen (veulen bij de merrie leren drinken) aonzitte (zat aon, aongezat) VB: E vuüle aonzitte.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanzetten , aonzette , scherp maken met een steen of speciale riem (scheermes)
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
aanzetten , ènzétte , aanlopen, dik maken, aanzetten , Onzen buurman kwamp óp hóg poote ènzétte. Onze buurman kwam op hoge poten aanlopen., Mâger spèk zét èn. Mager spek maakt dik.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
aanzetten , ge môt de veinsters aonzëtte , je moet de vensters in V-vorm zetten, bijna dicht doen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
aanzetten , aanzètte , 1. aanzetten 2. aankomen 3. vastmaken 4. dik maken , ‘De blaozers mótte neet zoea hel aanzètte’, zag d’n dirigent. De radio aanzètte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
aanzetten , aanzètte , werkwoord , zètj aân, zat aân, aangezatte , 1. aanzetten 2. lichtelijk aanbranden; de aerpele zeen neet aangebranjdj, mer aangezatte – de aardappelen zijn niet aangebrand, maar lichtelijk bruin 3. in kwaliteit of hoeveelheid/omvang doen toenemen; roeëd moos zètj blood aân – door rode kool te eten krijgt men nieuw/meer bloed (een wijsheid uit vroeger tijd)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
aanzetten , aanzétte , aanzètte , werkwoord , zétj/zètj aan, zat aan, aangezatte , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; aanzetten, wetten van messen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
aanzetten , ònzette , zwak werkwoord , ònzètte - zètte(n) aon - òngezèt , aanzetten; WBD grijpen (beginnen te gisten: de eerste verschijnselen v. d. gisting, in een brouwerij); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de voor ònzètte ('87) - een begin maken; Henk van Rijen - witte waortie meej kwaam òngezet? - weet je wat hij meebracht?; Henk van Rijen - wòr komde naa wir meej ònzètte? - wat/wie breng je nu weer mee?; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANZETTEN - aanwakkeren; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANZETTEN - beginnen, aanvangen van een werk; òngezet; volt. dw. Henk van Rijen - òngezèt koome - aankomen (langs komen); Henk van Rijen - 'Wit te waor-t-ie meej kwaam òngezèt? - Weet je wat hij meebracht?
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal