elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanzwenk

aanzwenk , anzweng , answeng , soort van zweer of puistje aan een ooglid, hordeolus. Neder-Betuwsch padoog, elders: windje; Zuid-Limburg war, Friesch stieg, Zuid-Holland weegscheet, elders strontje; West-Vlaamsch weeroog, zwijnpuistje; Oostfriesch wressem, stiger, Kil. stijghe, weerooghe, Hoogduitsch Gerstenkorn auf dem Auge, Engelsch styan, sty, stian, Nedersaksisch stige, stieg – Oud-Friesch sweng, swing = slag; swarta sweng = een slag waardoor het verwonde deel zwart of blauw wordt. – stiek, voor: stieg, stige, van: stijgen, in den zin van: zwellen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanzwenk , anzweng* , ook: padschieter *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal