elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achtentwintig

achtentwintig , achtentwintîg , zie: klop.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achtentwintig , achtentwintig , (telwoord) , Als zelfstandig naamwoord Zeker thans verouderd muntstuk ter waarde van 28 stuivers, goudgulden. Men zegt ook: Niet voor een daalder, maar wel voor een achtentwintig, als iemand het mindere boven het betere verkiest (Zaandam). Evenzo: “Jij neme ook ’en achtentwintig voor ’en daalder (of: jij hebbe liever ’en achtentwintig as ’en daalder)”, b.v. als een kind, dat kiezen mag tussen een grote stoofpeer en een kleine handpeer, de eerste kiest. || Zegsw. Daar bijt er me ien van achtentwintig (nl. stuivers), wie geeft er ’en daalder voor? (als iemand door een vlo gebeten wordt). – Zo ook in Friesl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
achtentwintig , achtentwintig , zie klop *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
achtentwintig , achtentwintig , [axentwintǝg] , achtentwintig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
achtentwintig , n acht en twintig , (ouderwets), geldstuk
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
achtentwintig , achtentwintig , blokken woningen, totaal achtentwintig, aan de Opwettenseweg. Volkse benaming.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal