elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: allerdeegs

allerdeegs , [zelfs, ook] , alderdeegs , allerdeegs , zelfs, ook Gron. Ook = in allen gevalle, niettegenstaande, in weerwil van, ten spijt van, ten spijt van, evenwel, alsmede = inderdaad.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
allerdeegs , allerdeegs , alderdeegs , (klemtoon op: deegs) = zelfs; hij ’s allerdeegs in Californië west. Bestaat uit den 2e naamvalsvorm van al, en: deeg, nog in: ter dege. Drentsch allerdeegs, Oostfriesch allerdägs, Nedersaksisch allerdegst, allerdögst, aldeger, Westfaalsch allerdegelikes, Hoogduitsch allerdings (Volgens het Gr. Wbk. is het woord vroeger in gebruik geweest in de beteekenis van geheel en al, ganschelijk, maar is thans verouderd. De s is adverbiaal.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
allerdeegs , alderdeegs , zie allerdeegs *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
allerdeegs , allerdeegs , zelfs
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
allerdeegs , allerdeegs , allerdees, allerdeis, alderdeegs, alledeegs, aller , Ook allerdees (Midden-Drenthe), allerdeis (Kop van Drenthe), alderdeegs (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid, dva), alledeegs (Zuidoost-Drents zandgebied), allerdings (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. zelfs Allerdeegs waren heur aole buren oet Amsterdam der nog (Erm), Hij is allerdeegs nog lopend hen stad west (Wtv), Hij zöcht het goud oet, allerdings dei kleine koukies nog (Ros) 2. inderdaad, wel degelijk, nota bene (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe), Hij leek onschuldig mor hij har der wel allerdeegs wat met te maoken (Gro), Hej de melkemmers an de straote zet? Ja, allerdeegs (Hijk), Allerdeegs wat was daor een troep (Wijs), Zie hadden dreei invallers en zie hebt allerdeegs nog wunnen ok (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
allerdeegs , alderdeegst , alderdeegs, alledeegs , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , en var. 1. flink, hard werkend en oppassend 2. zelfs, waarachtig 3. in aanzienlijke mate 4. (tw.) uitroep van verbazing
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal