elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: begroten

begroten , begrooten , (onpersoonlijk werkwoord), voor: spijten, bedroeven; ’t ken mie begrooten, ook: ’t is begrootêlk van dei mensen = het spijt mij van hen, ’k heb medelijden met hen, en inzooverre = bedoeren; – ’t geld begroot hōm = hij zou het wel graag bezitten, maar het kost hem te veel, hij heeft er zooveel niet voor over; ’t kwam mie te begrooten = ’t begrootte mie = ’t was mij te duur; “– want Wilm begrootte ’t, nō ’t zoo mooi ging dat Tebeis (Tobias) deur zien veurboarighâid boudel bedarven zōl.” – Ook elders, doch meestal alleen van geld. Overijselsch begrooten = bezwaren; Friesch begraote, Oostfriesch begroten = bedroeven; moeilijk afstand van iets kunnen doen. Vgl. belutjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
begroten , begrooten , (onpersoonlijk werkwoord) , Spijten, bezwaren. ’t Begroot mîn, dak van aovend in hü̂s mot blîven. Ik kan d(i)ee dü̂re jas n(i)eet vör u koopen; ’t begroot mîn te vö̀lle.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
begroten , begroten , (onpersoonlijk zwak werkwoord) , Spijten, leed doen, aan het hart gaan. || Dat ik ’et weggedaan heb begroot me nog. Het begroot me zo van die arme vrouw, die met zoveul kleine kinderen zitten blijft. Het ken-je begroten, dat er in de keuken zoveel ’ebroken wordt. – Evenzo elders in Holl., alsook in het Stad-Fri., Gron. en Oost-Fri.; Fri bigreatsje. Zie de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
begroten , begrooten* , Friesch: begroate. In Hunsego zegt men: wat kwam mie dat te begrooten; vgl. belutjen *, “begrooten”, “begrootelijk”, ook elders, doch meestal van geld.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
begroten , begrooten , (onpersoonlijk werkwoord) , Spijten, bezwaren, ’t Begroot mîn, dak vanaovend in hü̂s mot blîven. Ik kan d(i)ee dü̂re jas n(i)eet vö̂r u koopen; ’t begroot mîn te vö̀lle.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
begroten , begrooten , bezwaren. Het begrootet [bәgrôt̥] mi: het bezwaart mij
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
begroten , begrôte , werkwoord , Ook: spijt hebben, verdrieten, door medelijden bewogen worden. | ’t Ken m’n echt begrôte, dat z’n verkering uit is. Mogelijk is het woord een afleiding van groot in de zin van: te groot, te zwaar worden om te dragen, zoals bezwaren een afleiding van zwaar is. Dat het woord verwant zou zijn met nieuw hebreeuws garotoh = spijt, lijkt mij minder aannemelijk, o.a. gezien het feit dat begroten in allerlei dialecten en ook in het Fries (bigreatsje) gangbaar is.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
begroten , begroten , 1. een begroting maken. 2. er zin in hebben. 3. aan het hart gaan.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
begroten , begroten , begroten, begroot , 1. bekoren, spijt hebben; 2. een begroting maken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
begroten , begreuten , begroten , Ook begroten (Veenkoloniën, ook elders, vaak naast begreuten, dat kennelijk ouder is) = leed doen, aan het hart gaan Het begrudde mij zo dat ik nou al een schram op die auto heb (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
begroten , begroten , zwak werkwoord, overgankelijk , ramen, schatten Ze hebt die schoel verkeerd begroot (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
begroten , begroten , spijten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
begroten , begrootn , te veel kosten, jammer vinden van het geld. ’t Begroot mien, um alle daegn naor de kroeg te loopm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
begroten , begroten , begreuten , werkwoord , 1. voorlopig berekenen 2. medelijden hebben met, als pijnlijk ervaren (voor een ander) 3. erg spijtig vinden om uit te geven aan geld, goederen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
begroten , begroete , werkwoord , begroede, begroet , begroten , (afw. vormen o.t.t. dich begruuts, hër begruut) Zw: Hër begruut de koste vuur 't fèt volges mich vëul te hoeg.; schatten (afw. vormen o.t.t. dich begruuts, hër begruut) Zw: Hër begruut de koste vuur 't fèt volges mich vëul te hoeg.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
begroten , begroten , spijten, aan het hart gaan; zich begroten; zich boos maken (W.-Veluwe); begrotelijk, 1. spijtig; 2. duur (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
begroten , begroeate , begroeatj/begruuetj, begroeadje/ begruuedje, be , begroten, schatten , Op wieväöl is de boew begruuetj?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
begroten , begruuëte , werkwoord , begruuëtj, begruuëtdje, begruuëtj , begroten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
begroten , begroeëte , begroten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal