elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bestek

bestek , bestek , voor: maat, nl. van turf. Men spreekt van een groot, of klain bestek, naar mate een dagwark, of stōbbe meer of minder tonnen oplevert; – ’n klain bestek = eene kleine ruimte, waar alles wat men volstrekt noodig heeft, bijeen moet zijn, bv. in de kajuiten van kleine schepen; alles noa bestek hebben = – zooas ’t heurt = naar behooren, waarvoor men elders zegt: naar den aard, wat nl. de inrichting eener huishouding, de meubelen, enz. betreft; ’n sneu bestek = teleurstelling, als men zich, en met reden; vrij wat van iets voorstelt, en dit geheel mislukt of zeer tegenvalt; ’n schoadêlk bestek = misrekening, eene handeling die ons schade berokkent, in plaats van voordeel op te leveren; dit natte weer is veur boer en arbaider ’n schoadêlk bestek. Zie: sneu.
voor: regel, leefregel, inrichting eener huishouding; wat hebben dei mensen ’n roar bestek, zij eten om vijr uur, enz., zooveel als: zij voegen zich niet naar het gebruik, zij wijken geheel van de plaatselijke gewoonten af.
plan, voornemen, afspraak; ’t bestek is dat wie mör’n noa stad zōllen; ’t bestek is zoo, as ’t weer moar goud blift.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bestek , bestek* , “klein bestek” ook elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bestek , bestek , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze erges bestek op hewwe, ergens een oogje op hebben. | Hai het bestek op z’n buurmoidje. Vgl. Fries earne bistek op hawwe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bestek , bestek , het , bestekken , 1. bestek De timmerman hef ʼt bestek al klaor (Pdh), Daor hef hij bestek op zijn zinnen op gezet (Dwi), Wonen an boord, dat is een klein bestek daar heb je weinig ruimte (Hgv), Niet lange aover proten, maakt er mar een klein bestek van werk het vlot af (Ruw), Het was een sneu bestek veur de kinder doou de veurstelling niet deurgung het was sneu (Eex), Ze het het in de rug; wai zullen hopen dat het gien langdurig bestek is dat het niet lang duurt (Row), Ik heb het met die kèrel in ʼt bestek onenigheid (Sle), Wij hebt mor een klein bestek een klein gezin (Sle) 2. bestek, eetgerei Die meinsen hebt een zulvern bestek (Hol) 3. (veend.) maat of maatstok Mit een groot bestek greuven ze febriekstörf en mit het kleine eigenbrand (Bco), Groot bestek was dikke törf, klein bestek kleine törf (Ros), Groot bestek was de maot van de törf; Grönninger bestek 45 cm en Amsterdams bestek 42 cm. (Coe), ‘Maten van de fabrieksturf Groninger 44 cm, Drents of Amsterdams vroeger 42 cm, later 40 cm’ (Eri), Gröninger bestek 48 stoklengtes van 7 vout, Amsterdams bestek 50 stoklengtes van 8 vout (Vtm), ‘Bestek was een slag turf met ligger en 7 storten. Om de dijken of ringen niet te hoog te maken, werden ligger en 6 storten gelegd. Dat was klein bestek. Dat was vroeger. Later is gewoon klein bestek berekend. Dit was ook gemakkelijker te berekenen, want op klein bestek moest men 1/7 toegeven om de volle stok vol te maken’ (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bestek , bestek , zelfstandig naamwoord , et 1. tafelbestek 2. bestek van een bouwwerk 3. goed vorm, fatsoenlijk model 4. iemand met een onevenredige lichaamsbouw, iemand die er raar uitziet 5. plan, voornemen 6. kader waarbinnen men werkt of hoort te werken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal