elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezemsteel

bezemsteel , [steel van bezem, magere vrouw] , besemstèle , (vrouwelijk) , bezemsteel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bezemsteel , bessêmstoal , bezemsteel. Zie ook: bessêmstok, en: rechtveerdîg hoar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bezemsteel , bezemstaal , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Bezemsteel. – Ook als schertsende benaming voor een magere vrouw. || Wat ’en bezemstaal.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bezemsteel , bessemstoal , zie bessem *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bezemsteel , bezemstaal , zelfstandig naamwoord de , Dialectische variant van bezemsteel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bezemsteel , bessemstelle , bezemsteel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bezemsteel , bèssemsteel , bezemsteel , Die kan gôn stôn, wór d’n bèssemsteel sti. Hij kan gaan staan, waar de bezemsteel staat. Hij heeft niets in de pap te brokken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bezemsteel , bessemstaele , bessemstael , zelfstandig naamwoord , de; bezemsteel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bezemsteel , bèzemstelle , bessemstelle , (zelfstandig naamwoord) , bezemsteel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bezemsteel , baesemsteel , baesemesteel , (mannelijk) , bezemsteel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bezemsteel , beêsemsteel , bieësemstieël , zelfstandig naamwoord, mannelijk , beêsemesteel/bieësemstieële , beêsemesteelke/bieësemstieëlke , tweede vorm Weerts (stadweerts); bezemsteel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal