elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezetten

bezetten , [schenken, lenen] , bezetten , Iemand bezetten, wordt alhier gezegd voor iemand eene som, goederen en dergelijke voor eenen zekeren tijd schenken. , Hij heeft hem jaarlijksch voor zijn leven vier honderd gulden bezet. Zoo zegt men ook van huiszittende armen, dat dezelve van het armbestuur bezet zijn. Bijv. Hij is wekelijks met vier stuivers en een brood bezet. Zie op Zetten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bezetten , bezetten , Het dank, den muur, enz. bezetten is hier hetgeen men in Holland aanstrijken noemt.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bezetten , [bezweren van ziekten] , bezetten , geheimzinnige wrijving of behandeling van een dier, bv. van koeien die de wrang (zie ald.) hebben. Ook in Gron. bekend; Laurman (p. 131): bezetten = bezweren van een pijnlijk verstuikt lid. – Volgens Prov. Gron. Cour. (15 Aug. 1861) werd “te Peize een meisje door een’ adder in de hand gestoken, die dadelijk pijnlijk werd en geducht opzwol. Terstond ging zij naar een persoon die den arm bezette bij den elleboog, tot welke hoogte het venijn en de opzwelling reeds gevorderd waren. Dadelijk hield de zwelling op.” Die handeling is in Groningen ook bekend onder den naam van bestrieken omdat zij bestaat in het strijken van het verwonde lichaamsdeel tot aan de plaats waar de zwelling zichtbaar wordt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bezetten , bezetten , in ongelegenheid brengen of teleurstellen door het niet nakomen van eene belofte; doe mōst mie nijt bezetten, ik reken d’r op. Middel-Nederlandsch besetten = in het nauw brengen, benauwen.
betrekken; de lucht bezet.
bedriegen; as ze joe bezetten kennen loaten ze ’t nijt = het zijn eerste schacheraars.
kans zien, als het een tijd betreft; as ’k ’t moar ijts bezetten ken, koom ik mörgen = als ik het niet te druk heb kom ik morgen; bij Weil.: als ik het maar eenigszins kan bijbrengen; ’kon ’t nijt bezetten = ik kon niet zoo spoedig gereed komen.
bezweren van een pijnlijk verstuikt lid, (Laurm.) Het bezetten van lichaamsdeelen, door den beet van een’ adder opgezwollen, bestaat in het strijken van dat deel tot aan de plaats, waar de zwelling zichtbaar wordt. Volgens Prov. Gron. Cour. (15 Augustus 1861) werd “te Peize een meisje door een adder in de hand gestoken, die dadelijk pijnlijk werd en geducht opzwol; dadelijk ging zij naar een persoon die den arm bezette bij den elleboog, tot welke hoogte het venijn en de opzwelling reeds gevorderd waren. Dadelijk hield de zwelling op”. Vgl. knöffeln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bezetten , bezetten* , vgl. knōffeln *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bezetten , bezëtte , bezat, haet of is bezat , bezetten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bezetten , bezetten , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. bezetten Mien stoule was net bezet (Vtm) 2. bezweren, bestrijken Die olde scheper kun je de vratten bezetten (Wes), Vrouger kunde ze een adderbeet bezetten (Pei) 3. tijd hebben As ik het even bezetten kan, kom ik (Row), Ik kan het eigenlijk niet bezetten um daor hen te gaon (Eex) 4. dichtstoppen van de veenwand tegen vorst (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat was veen bezetten. Dat deden ze veur het bevriezen van het veen. As het veen bevreuren was, kregen ie smoezers van törf (Geb), zie ook bestoppen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bezetten , bezetten , werkwoord , 1. bezetten 2. oppervlakte, ruimte innemen 3. (van bep. functies) bekleed houden 4. verkrijgen 5. in et niet bezetten kunnen er geen tijd voor hebben 6. met huismiddeltjes of door te bestrijken genezen 7. ademgebrek krijgen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bezetten , bezètte , 1. bezetten 2. stucadoren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bezetten , bezètte , werkwoord , bezètj, bezètjdje/bezat, bezatte , 1. bezetten 2. stukadoren, pleisteren ook plaostere
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bezetten , bezétte , werkwoord , bezétj, bezat, bezatte , stucadoren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal