elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: biezenjager

biezenjager , [veldwachter] , biezejager , veldwachter, Mr. J. Pan: biezenjager = politiebediende tot wering van bedelaars, eigenlijk: boevenjager. Voorheen landschaps- of kerspelsoldaat, ook roode roede, landsoldaat, armjager geheeten. – Gron. biesjoager, biezejoager, voorheen zooveel als veldwachter en opziener van de jacht; Friesch biesjager = gerechtsdienaar te platten lande; Oostfr. biesejager = politiedienaar, gendarme, eig. een persoon die bij dag of nacht jacht maakt op alles wat bij vagebondeert, bij den weg birst, Oostfr. birsd, bisd. – jagen, hier = opsporen. Zoo worden te Hamburg de overlieden der gilde, die de beunhazen en ongeoorloofde werkplaatsen opsporen gezegd te jagen, dat voorheen ook hier te lande plaats had. Vergel. o.a. ’t Nederl. jacht maken op = vervolgen, nazetten, zien te vatten van, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
biezenjager , biesjoager , biezejoager , (Stad-Groningsch) = veldwachter en opziener van de jacht; thans zoo goed als verouderd. Drentsch biezenjager, biezejager = veldwachter, ook politiebediende tot wering van bedelaars; Friesch bysjager = gerechtsdienaar te platten lande; Oostfriesch biesejager = politiedienaar, gendarme, een persoon die bij dag en bij nacht jacht maakt op alles wat vagebondeert, bij den weg birst, Oostfriesch biszd. Zie: birzen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
biezenjager , biezejoager , zie biesjoager *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
biezenjager , biezejager , biezenjager , (dva, veroud.). Ook biezenjager = veldwachter (in de 19e eeuw), gewapend kerspelsoldaat, die o.a. bedelaars moest verjagen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
biezenjager , biezejaeger , zelfstandig naamwoord , de; jachtopziener, veldwachter
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal