elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boerenarbeider

boerenarbeider , boerenarbaider , daglooner; arbaidersmensen, arbaismensen, arbaidersmensken = tot de klasse van daglooners behoorende, huisgezinnen van daglooners; arbaidershoeske, arbaishoeske = huisje van een daglooner of daarop gelijkende; vaste ook: steevaste arbaiders zijn zulke, die ’t geheele jaar bij een boer in ’t werk zijn en er ook den kost hebben; lösse arbaiders, die werk zoeken bij wie zij ’t vinden kunnen, steeds op eigen kost; lösse vaste arbaiders, die wel het geheele jaar door werken bij één boer, maar voor eigen kost moeten zorgen; ook missen zij de bijzondere voordeelen van den vasten arbaider; arbaidersdaghuur = wat een daglooner gewoonlijk daags verdient; “Voader arbaidde bie Jan Knels as steevaste arbaider, hij verdijnde ’s zummers drei gulden en de andere tied van ’t joar zesendartig stuver en de kost in de week, en ’s oavens kreeg e altied pran mit, as ter wat overbleef.” West-Vlaamsch arbeider = werkman. Vgl. ook ‘t Middel-Nederlandsch arbeit = arbeid, werk, in bijzondere toepassing, ook veldarbeid. (Verdam.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boerenarbeider , boerenarbaider , zie arbaider *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
boerenarbeider , boerenarbeider , de , boerenarbeider. Hij is altied boerenarbaider west. Hai is nooit wieder kommen (Vmu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boerenarbeider , boere-arbeider , zelfstandig naamwoord , de; boerenarbeider
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
boerenarbeider , boerenèrbèr , zelfstandig naamwoord , boerenknecht, boerenarbeider; lange oe; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ARBEI(D)ER - boerenwerkman, dagloner die boerenwerk verricht
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal