elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boeten

boeten , [vuur maken] , buten , buten, zoo denk ik, het zelfde met boeten, vuur aanstoken, op veluwe onder de boeren. Ik heb ditzelfde woord in dezelfde beteekenis ook elders meenigmaal hooren gebruiken, vooral in Groningen en ommel, waar men het byna buiten uitspreekt. Wanneer ik op de uitsprake van dit woord, ’t welk in Drenthe, de Graafschap Zutphen en elders zeer gemeen is, lette, kwam ’t my voor, dat men schrijven moest boeten, om dat men het zo uitspreekt, als in de Graafschap Zutphen voeten, dat daar klinkt vueten (ik kan den klank beter met de tong slaan dan met de pen teekenen).
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
boeten , boeten , In de Ordonnantie van 1534 op de timmeringe der afgebrande huysen, bij VAN GHOOR ook te vinden, leest men: “Uitdien dat het meestendeel van de huysen die verbrandt syn met rietdack gedeckt en met houtwerk in de muuren (d’ welck al ligtelyk ontsteeckt, en den brandt boet)” Boeten het vier is bij KILIAAN struere ignem, admovere titiones. Zie wijders mijne Fransche woorden uit de Noordsche talen afgeleid, op het woord boutefeu.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
boeten , buten , boeten, anbuten, aanboeten , Het vuur opstoken, door er brandstoffen bij te voegen en er den gloed in te jagen, ʼt zij door poesten (blazen) met den mond of door middel van een blaaspijp. Vergelijk bouwen (een vuur). Vuur anbuten is ook Overijselsch; het Groningsche luidt: ‘anbuiten, voor: aanleggen van vuur,’ en: ‘buiten stoken;’ Drentsch: ‘beuten, anbeuten, anbuten, vuur aanleggen;’ en: ‘opbeuten, opbuten, opstoken; (het vuur op- of aanstoken:’) waarvan nog het spreekwoord, in dat gewest gebezigd: ‘iemand het vuur op de hilde beuten,’ voor: ‘iemand in gevaar brengen’ (tot recht verstand van dit spreekwoord dient, voor den onwetende, dat op de hilde het stroo en ook hooi geborgen wordt; op hilde kom ik later te rug). Het woord komt al bij onze oud-hollandsche dichters voor, als Vondel, deel 18, blz. 12 (Uitgave Westerman.): ‘..... andren zetten flucks de ketels op hun voeten, / In ʼt velt op eene ry, en bucken neêr, en boeten / en stoocken ʼt vier ........’ en blz. 187: ‘Zy boeten wacker vier .......’ bij Huygens, verboeten voor: verstoken, als: ‘Het werck dat yemant doet / En ʼt Vyer (vuur) dat hij verboett, / Geeft best getuigeniss / Hoe vroeden Man hy is.’ (Uitgave Bild. II, 291.) Vergelijk verder Kiliaan. En nu de afleiding van het woord; met voorbijgang van hetgeen Bilderdijk en, in navolging van hem, anderen daarover geschreven hebben, zal ik hier overnemen die van onzen geleerden Halbertsma, voorkomende in de Gids, 1843, (Mengelingen) blz. 470, in zijn: ‘Brief aan Willem de Clercq,’ welke brief – handelende over de afleiding van boete, enz. – niet genoegzaam bekend schijnt te zijn; de passage tot ons woord betrekking hebbende, luidt: ‘Bilderdijk brengt tot boeten ook ketel-boeten en vuur-boeten. Ketel-boeten is ketel-verbeteren, ketel-lappen, daarin heeft B. gelijk; maar in vuur-boeten laat hij zich door den klank misleiden (Bilderdijk stemt hier met Weiland (op boeten) overeen; ‘gelijk het zelfst. boete gebruikelijk geweest is voor hulpmiddel, verbetering, zoo komt het werkw. boeten ook in den zin van verbeteren, herstellen, voor; en het is als zoodanig nog bij ons in gebruik, in de spreekwijzen: het vuur boeten, aansteken, beter doen branden, de netten boeten, de gescheurde netten digt maken, eenen ketel boeten, lappen, waarvan ketelboeter, enz.’). Er zijn eenige overoude woorden, die in onze taal geheel verloren zijn gegaan, behalve in een enkel compositum, maar welke de overblijfsels van het Celtisch ons nog als simplicia uit eene algemeene schipbreuk bewaard hebben. Daaronder behoort dit vuur-boeten, hetwelk geen vuur verbeteren, het verbrande aanvullen is, maar vuur aansteken, vuur stoken. In het Gaelisch (Brittannisch) geldt poeth of boeth voor brandend, gloeijend, vuurrood (Groenlandsch poe, licht?), hetwelk voortleeft in het Fransche boute-fen (en, voeg er bij, in het Spaansch botafuego), vuurstoker, stokebrand, en ons vuur-boeten. In de beteekenis van vuurrood hebben de Bas-Bretons boet-rabesen, roode raap, de Franschen betterave, en wij beetwortel.’
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
boeten , beuten , anbuten, aanbuiten, anbeuten, aanbeuten, aonbeuten , vuur aanleggen, aanstoken, opstoken; vuurtjes beuten beteek.: op drie of vier ellen afstand in het boekweitveen hoopjes van de omgehakte veenkluiten maken om beter te kunnen drogen, en dan de kluitjes die op den grond blijven liggen, verbranden: Gron. buiten = vuur aanleggen, stoken aan den haard, in ’t algemeen; ’n vuur anbuiten = een vuur aanleggen; Veluwe bueten, anbueten, Overijs. anbuten; Oostfr. Holst. böten, Westf. baiten. ten Doornkaat (i.v. böten) acht dit woord niet hetzelfde als: boeten, baten, goedmaken, maar brengt het tot ’t Oostfr. böten = stooten, steken, en vervolgens tot die van: steken, stoken, opstoken, van het OHD. bôzan, pozan, AS. beâtan = stooten, slaan. böt = v.d. van: beuten
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
boeten , bö̂ten , vuur aanmaken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
boeten , buiten , bouten , (ui kortaf) = boeten; hij mout ’r veur buiten = hij moet de slechte gevolgen ondervinden; hij mout ’t buiten = de boete betalen, dus eigenlijk: de zaak goedmaken, verbeteren. Vgl. ketelbuiter.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boeten , buiten , (de ui kortaf) = vuur aanleggen, stoken; an de heerd buiten = op den haard stoken, ter onderscheiding van: in eene kachel; Nederlandsch boeten, oudtijds ’t vuur boeten. Drentsch beuten, Veluwe bueten, anbueten, Oostfriesch, Holsteinsch, Ditmarssum böten, Westfaalsch baiten = vuur aanleggen. Vgl. ’t Fransche boute-feu = stokebrand. (ten Doornk. art. böten, acht dit woord niet hetzelfde als boeten = baten, verbeteren, goedmaken maar brengt het tot de eerste beteekenis van ’t Oostfriesche böten = stooten, steken; en vervolgens van: steken, stoken, opstoken, van het Oudhoogduitsch bôzan, pozan, Angelsaksisch beâtan = stooten, slaan.) Middelnederlandsch boeten, bueten, Middelhoogduitsch binzen, Middelnederduitsch boten, buten, Hoogduitsch bueten. Van daar ook het verouderde Fransche bouter en het gewone boute-feu, stokebrand. Uitsluitend van vuur gezegd, welk woord ook wordt weggelaten, waardoor boeten schijnbaar intransitief wordt. Aanleggen, aansteken, in welken zin het in sommige dialecten nog voortleeft. (Verdam.) Vervoeging: buiten, bötte, böt, en: buiten, butte, but.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boeten , boeten , (zwak werkwoord) , vgl. inboeten en boetkam, boetvild.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
boeten , buiten* , bij v. Dale: boeten = opstoken, vergel. het Fransche “boutefeu” = het Nederlandsch stokebrand.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
boeten , böuten , aanleggen. ’n Vöörtien böuten: een vuurtje aanleggen. Ook: änböuten: Het vöör änböuten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
boeten , bootn , werkwoord, zwak , boeten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
boeten , boete , werkwoord , Ook: Bijzaaien. | We magge welders bône boete.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
boeten , boete , boetde, haet geboet , boeten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
boeten , boeten , boten, boouten, bouten , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook boten (Midden-Drenthe), boouten (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), bouten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. herstellen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Netten boeten (Hol) 2. boete doen Hie hef het daon en hie zal der ok veur boeten (Zwig)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boeten , boeten , werkwoord , 1. boeten: van visnetten e.d. 2. in d’r veur boeten moeten de straf ervoor, het nadeel ervan ondergaan (dat men zichzelf heeft berokkend)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
boeten , bote , werkwoord , boeten , (o.v.t.. ontbreekt. volt.deelw. geboot) VB: Wie 'r joonk wäor hèt 'r zich misdräoge meh läoter hèt 'r dao vuur môtte bote.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
boeten , beuten , boeten, buten , 1. vuur aanleggen; 2. oprakelen van vuur.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
boeten , [straf ondergaan] , boete , (boe\te) , boetj, boetdje, geboetj , boeten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
boeten , boete , buute , zwak werkwoord , boete - boette - geboet , boeten; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - laot geboet, zèlde goed; buute; Van Rijen (1998): boeten; gelden (bij spel), voornamelijk (of alleen) in de uitdr: Dè buut nie…; PM Dè buut nie - dat is niet volgens de regels; Cees Robben – Onrechtverdighed komt te buute... (19850830); Henk van Rijen: onrèèchvèèrdeghei komt te buute - onrechtvaardigheid straft zich zelf; CiT (98) ''Onrechvèrighei komt te bute'; korte uu; Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): afbuute - afkloppen bij een spel (IV;19); aanleggen (gezegd v.e. vuur), graven; korte uu; Dialectenquête 1879: vuur bute - vuur boeten; WBD III.4.2:68 'buten' - graven v.e. konijnenhol, ook 'dabben' of 'wroeten' genoemd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal