elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boezem

boezem , boezem , groote vooruitstekende schoorsteen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
boezem , [schoorsteenmantel] , bossem , bossum , schoorsteenmantel, Gron. bossem, borsem. Oostfr. bossem = de rondloopende balken en rand van den schoorsteen in de keuken. Het Westf. boosen, bausem, bosmen = boezem, Eng. bosom, Oudfr. bôsom, bosme, AS. bôsom, OHD. buosam, Wangeroog bôzem HD Busen, zoodat bosjem iets gebogens zal te kennen geven.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
boezem , bôzem , (mannelijk) , groote vooruitstekende schoorsteen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
boezem , bossem , borsem, bos’m, borsum , borsum (Niezijl, enz.) = schoorsteenmantel; Drentsch bossem, borsum; Zuid-Nederlandsch boezem, boesem, Friesch bozem, boosem (’t laatste in eene Publicatie van 1792). – bossemklijd, bossemklaid, eene strook, meestal van blauwbont katoen, dat van den rand des mantels neerhangt. Zij worden nog in ouderwetsche woningen en in dagloonershuisjes aangetroffen. – bossemstōk, bossemstuk = schilderwerk of schilderstuk boven den schoorsteenmantel. Oostfriesch bossem = de rondloopende balken en rand van den schoorsteen in de keuken. – Oud-Hoogduitsch buosam, Middel-Hoogduitsch buosem, buosen, Hoogduitsch Busen, Oud-Friesch bosme, bôsem, Angel-Saksisch bôsom, Engelsch bosom, Westfaalsch boosen = boezem, zoodat ons bossem iets gebogens zal te kennen geven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boezem , bossem* , Friesch: bozem (“boosem” in eene publicatie van 1792.); (bladz. 9), zie bij v. Dale (4e druk): boezem = gedeelte van een schoorsteen dat zich in eene kamer bevindt.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
boezem , bouzem , mannelijk , bouzems , boezem, schoorsteenmantel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
boezem , boosm , zelfstandig naamwoord, mannelijk , boosms , schoorsteenkap in boerenkeuken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
boezem , bozzem , schoorsteenmantel
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
boezem , boozem , mannelijk , boozeme , beuzemke , borststuk aan een boezelaar of schort.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
boezem , boezen , schoorsteenmantel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
boezem , bossem , bössem, bouzem , bossems , (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, ook met rekking in Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën). Ook bössem (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord), bouzem (Nsch) = 1. schoorsteenmantel Wij hadden eerder en paar mooie honden op bossem staon (Klv), Hij haar mooie stelsels op de bossem (Row) 2. rand aan een deurpaneel (Zuidoost-Drents zandgebied) Der zit een bossem an de deur (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boezem , bozem , bossem , zelfstandig naamwoord , de; stenen rookkanaal van een schoorsteen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
boezem , beuzem , zelfstandig naamwoord , beuzems , beuzempie , boezem, watergang
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
boezem , boézem , zelfstandig naamwoord mannelijk , boézeme , - , schort , (bovenstuk van schort) boézem (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
boezem , bozem ,  boezem , schoorsteenmantel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal