elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: botten

botten , bōtten , (bijvoeglijk naamwoord); zie: bōnken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
botten , bōdden , poeren (Oldampt) = pooren (Ommelanden) = peuren, aal vangen met eene poer = troest = kloester = poor = knoestje, ook oas genoemd = wormentroetel; Nedersaksisch aleparen, Holsteinsch aalpöddern, pöddern, van pödder = lokaas.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
botten , botten , Stooten, stuiten. Met knikkers, knoopen enz. tegen hout of steen stuiten. Ook b.n.w. = beenen. ’n Botten knoop. Ook z.n.w. = beenderen. Garrît hef ’n hondengelöf; hi hef l(i)eever ’t vleis as de botten.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
botten , bodden , (bòdde) , (zwak werkwoord, transitief) , Heinen, de slootkant ophalen, de sloot ophalen. Thans ongebruikelijk. Zie bod. || En is deselve vroetschap voorgedragen off het niet best soude sijn, dat de veen van Crommenie af tot den Nieuwendijk toe ... wierden gebodt en de wallen opgeslikt, omme soo de slooten wat suyverder en claerder te maken. Hs. resolutie (a° 1725), archief v. Assendelft. Schout en Schepenen ... ordonneeren ..., alle de Landen en Erven leggende beoosten de Weg ... te bodden, en de bodden behoorlijk te beslikken, soo dat ten minsten de Slooten wijdt moeten sijn vijf voeten, Keuren v. Assend. 43 (einde 18de e.). Aan Aris Walen voor ’t varen op ’t bodden f 1 : 10 st. (nl. bij de schouw op het bodden), Hs. Rekening (a° 1795), archief van Assendelft. – Vgl. opbodden.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
botten , botten , (zwak werkwoord) , zie bebotten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
botten , botten , (bòttə) , (zwak werkwoord, intransitief) , Op de streep gooien, met centen; dobbelspel. || Wie ken ik op ’t strepie botten? – Ook wel met een half geopend mes zo dicht mogelijk naar een muur of een ander aangewezen punt werpen; om uit te maken wie met kiezen of spelen beginnen mag. – Zo ook in Hindeloppen botte, centen tegen een muur werpen, zodat zij terugspringen naar een op de grond getrokken cirkel, binnen welke de centen liggen, waarom gestreden wordt (HALBERTSMA 469). Vgl. KIL. botten, op-botten, resultare, resilire; botten op d’water j. slingeren (keilen). – Zie schietbotten, spanbotten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
botten , bōtten , beenen (bijvoeglijk naamwoord): ’n bōtt’n knoop; in ’t Nederlandsch alleen het zelfstandig naamwoord bot.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
botten , bōdden* , vergel.: troest .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
botten , botten , Stooten, stuiten. Met knikkers, knoopen enz. tegen hout of steen stuiten. Men „bot” met een knikker tegen een steenen paal of muur, zoodat de knikker terugstuit, met de bedoeling zoo dicht bij den knikker van één der vorige spelers te komen, dat hij den afstand daartusschen spannen kan. De bespannene moet dan een knikker (kuis) in den pot leggen. Is de pot voldoende gevuld, dan wordt „op den pot gebot.” Hij, wiens kuis in den pot valt, wint den geheelen inhoud. Ook b.n.w. = beenen. ’n Botten knoop. Ook z.n.w. = beenderen. Garrît hef ’n hondengelöf; hi hef l(i)eever ’t vleis as de botten.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
botten , botte , werkwoord , Zie spanbotte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
botten , botte , botde, haet of is gebot , botten. De sjtruuk beginnen al te botte: de heesters beginnen reeds uit te lopen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
botten , botten , zwak werkwoord, onovergankelijk , botten, ontkiemen De bomen begunt alweer te botten (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
botten , botten , uitbotten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
botten , botten , werkwoord , uitbotten, langzaam in blad komen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
botten , botten , bijvoeglijk naamwoord , van bot
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
botten , botte , werkwoord , botte, gebot , hand- en spandiensten verrichten , (vero.) VB: Ién 1848 zién bié 't botte ién de kiézelkoûjl ién de Sjlak aach lûi doed bliëve.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
botten , [lichaam] , botten , lichaam; in de botten, inwendig; in de botten gaon, aan het werk gaan; an de botten kommen, de wacht aanzeggen; iemand an de botten willen, iets van iemand willen (O.-Veluwe); botten Aolt, magere man; ; bottenwark, bottenbrekens werk, bottebrekers werk/waark, zwaar werk; bottekraoker, 1. chiropractiker; 2. fysiotherapeut.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal