elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brit

brit , brijten , brijdje, brijtjes , kluitjes turf. Eigenlijk bedoelt men er de platte stukjes mee die van de steekturf afvallen, dus brokjes van lange turf; ook Oostfriesch Is turf brokkig of verbrokkeld dan zegt men: ’t bin niks as stōkken en brijten. Friesch briet, brit = brok, kluit turf; Meyers Woordensch. breeta, breete, stuks turfs. Vgl. Kil. brete, breste, zode, brok eener zode. R. Bijenk. (Kil. i.v. spon): Nu en is ’t ghene tijdt meer dat men het volk britten voor turven telle, ende wijs maecke dat de katten ganseneyeren legghen. Engelsch brittle = broos; Oud-Friesch britsen = verbreken; Zweedsch bryta = breken. Vgl. brete, brette = aardkluit. Kil. brete, brette, j. britte, frustum cespitis. Hij wil al breten voer torven tellen (Verdam). Zie: piek.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brit , brijten , vooral: olle brijten (Hoogeland), zooveel als: oude kleeren, meubelen, werktuigen, enz.; in de Ommelanden meer algemeen voor: de scherven, stukken, overblijfselen van een voorwerp; ’t ligt in alle brijten = in duizend stukken. (Bij v. Bolhuis: brikken = brokken, stukken: het ligt in brikken.) Vgl. brijten 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brit , brit , brik, brikkie , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , In verkl. britje. Vuur van turf of licht hout, kolenvuur. || We zellen maar ers ’en lekker britje maken met de koud. Er leit ’en ferme brit in de kachel. ’t Eten zel wel gauw gaar wezen, er leit ’en goeie brit onder. – Overdrachtelijk ook in de zin van warme stoof, naar het vuur dat in de test is. || ’t Is zo gril (guur), ik zel maar ’en lekkere warme brit nemen. – In Friesl. en Gron. zijn britten, brîten, brokken turf; evenzo in O.-Friesl. brêten. Vgl. KIL. brete, brette, Sicamb. j. britte, frustum sive pars cespitis. Vandaar de zegsw. hij wil al breten voer torven tellen (MEYER, Oude Ned. Spreuken 37), die ook voorkomt bij MARNIX, Biëncorf 170: “Nu en ist ghene tijdt meer, datmen het volk britten voor torven telle.” – In verschillende Ogerm. talen vindt men werkwoord van dezelfde stam in de zin van verbrijzelen, stukbreken. – Als de vorm brik werkelijk oud is en niet op misverstand berust, zou dit woord één kunnen zijn met Ned. brik, briksteen, gebroken steen, puin, dat oorspronkelijk afgebroken stuk beduidt; vgl. BREDERO, Moortje 2353: “Ick sweer u, ick sal u dat malle harsebecken an bricke (stukken) breken.” Zie ook KIL. bricke, brijcke, Flandr. later, laterculus, bricke, Sax. Sicamb. orbis, orbiculus, j. schijve en talioore. Oost-Fri. brik, dunne plank, houten schijf in een melkemmer om het overstorten der melk te voorkomen, damschijf (KOOLMAN 1, 228; HALBERTSMA 512. Ndd. brikke, plat bord, (DÄHNERT, SCHÜTZE). Engels brick, Frans brique, tichelsteen; zie de wdbb. – Vgl. opbritten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
brit , brijdje , zie plek * (ook de aanteekening); ’t kan de verkleinde vorm zijn van bret *, doch waarschijnlijker is het die van brijten * 2 (zie aldaar.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
brit , braiten , stukken, brokken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal