elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brutaal

brutaal , bertaol , brutaal.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
brutaal , brijtoal , pertoal, p’rtoal , brutaal; ’n brijtoal gewas = een bijzonder weelderig en veelbelovend gewas. Vgl. de metathese in: perbijern, perfester, perfiet, kerdiet, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brutaal , pertoal , p’rtoal , (vgl. brijtoal *, bldz. 508) = brutaal: metathesis als in de woorden: perbijern, perfiet, perzon, persieske, kerdiet.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
brutaal , bretaal , bijvoeglijk naamwoord , Dialectische variant van brutaal. Zegswijze ’t is bretaal, het is sterk. Vgl. Fries it is bretaal.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
brutaal , brutaol , brutaal, bretaol, priktaol, pertaol , Ook brutaal (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), bretaol (Zuidwest-Drenthe), priktaol (wb: Rui), pertaol (Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.) = 1. brutaal Ik hol nich van brutale kinder (Bov), Zo brutaol as een hond (Ruw), ... de beul (Hijk), ... een musk (Eex), ... de bliksem (Vtm), ... de duvel (Ros), ... een ol kaptein (Eel), ... een zwieneloes (Een), ... de neten (Eli), ... de moord (Schn) 2. royaal Hij legt het wat te bretaol an leeft te royaal (Die), Hie bood heeil brutaol op die verkoping, de aandern kwamen der niet an te pas (Eex), Wat komp die man brutaol veur de dag opschepperig (Nor), Nao de braand hadden ze er weer een brutaol stee henzet (Bor) 3. (al te) welig tierend (Zuidoost-Drents zandgebied) Een brutaol gewas (Sle), Die rogge is aordig brutaol, dat kan wal ies mislopen (Sle) *Brutaole meinsen hebt de halve wèreld (Bei),
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brutaal , bretaol , brutaal
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
brutaal , bruutaol , onbevreesd , Die manne zén strant, ze schrikke dan ók nèrges vur trug, ze zén bruutaol. Die jongens zijn onbevreesd, ze schrikken nergens voor terug, ze zijn brutaal.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
brutaal , bertaol , bretaol , bijvoeglijk naamwoord , 1. brutaal, grof 2. erg vrijmoedig, gedurfd 3. royaal, in ruime mate
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brutaal , bretaol , (bijvoeglijk naamwoord) , brutaal. Zie ook: vri’jpostig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
brutaal , bruutaol , bijvoeglijk naamwoord , "brutaal; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'brutaol'; ' nie te brutaol optreejen'; WBD III.3.1:221 'brutaal', 'strant, astrant' = vrijpostig; WBD III.1.4:130 'brutaal' = moedig; pertaol; brutaal - bijvoeglijk naamwoord; ...mar ‘de spoor’ – zo hietten ie,- die was nog pertaol d’r bij, en hij zi: ""dè kamme niks schillen... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Cees Robben – Gemèèn en pertaol (19590822); Henk van Rijen (1998): "
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal