elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buning

Buning , Buning , Beuning , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Naam van een stuk land op Ruigoord. Thans onbekend. || Die bueningen, Hs. T. 51, f° 22 v° (a° 1604), prov. archief. Die ½ bueningh, een derdepart inde halve bueningh, Polderl. Westz. II (a° 1629). Op Ruychoort 1/3 inde halve beuningh, noch 1/6 in halve beuning van Kees Heyn, ald. IV f° 7 (a°1649). – De Kaart v. de Uytw. Sl. 14 vermeldt onder Warmenhuizen een Beuninge Sloot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
buning , buning* , Nieuw-Hoogduitsch Buhne (bijvorm van Bühne) = steenen dam of pier.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal