elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koksiaan

koksiaan , koksioan , oorspronkelijk: volger van de Cock, predikant te Ulrum, die zich in 1834 aan ’t hoofd eener kerkelijke beweging stelde; thans lid van de Christ. Afgescheiden Gemeente; ook Gron. Overijs. Koksiane = vrome.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
koksiaan , Koksioanen , Christelijk Afgescheidenen. Aldus genoemd naar Hendrik de Cock, in leven predikant te Ulrum, die zich aldaar in 1834 aan ’t hoofd dezer kerkelijke beweging stelde; koksioans, koks = tot die gezindte behoorende, en ook = hare gevoelens toegedaan, een fijne, Calvinist zijn. Overijselsch koksiaane = vrome. (Te Oude Pekela werden zij Germnisten geheeten, naar hun’ voorganger Harm Germs.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koksiaan , Koksioan , Zie: Koksioanen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koksiaan , koksiaan , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , 1) Cochin-China-kip. || Me buurman heb ’en toom koksianen ’ekocht. 2) Iemand die te veel eet. || Je merke (merkt) ’em in de pot; ’t is ’en flinke koksiaan. – Zie koksianen. 3) Ook als benaming voor grote turfschepen, inzonderheid Keulse aken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
koksiaan , Koksioanen* , vergel.: Germuisten .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
koksiaan , koksioanen , scheldnaam voor afgescheidenen (naar ds. De Cock)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
koksiaan , koksiaan , koksiaon, koksiane, kokse , de , koksianen , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook koksiaon (Noord-Drenthe), koksiane (Zuidwest-Drenthe, noord), kokse (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = koksiaan Koksen loopt met de kop scheve, die hebt de kop naor de neie weke staon (Hijk) *Koksianen / Tibeletaanden / Touw in de bek / O wat bint die koksianen gek (Dwi); Koksiaonen / Lusten gien kaonen / Lusten gien spek / Gooi ze met ’n grauwe törf in de bek (Zey); Deur koksen en stofregen woj ’t miesten bedonderd (Sti) of Deur ’n koksiaon en fiene regen woj ’t meiste bedrogen (Ros), zie ook bij koks
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal