elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dalles

dalles , dalles , zoo goed als niets, ook: volstrekt niets. Zie: figge mit ’n dalles. van het Hebreeuwsche daloesch = gebrek.
figge mit ’n dallês, niets; hij kreeg ’n figge mit ’n dalles, spottend voor: hij kreeg hoegenaamd niets. Zal tot het Bargoensch behooren. Hiermede gelijk is: twei platten mit ’n dunne.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dalles , dalles* , waarschijnlijk joden-Duitsch voor: gebrek, = Hebreeuwsch “daloesch”, ’t woord komt althans in ’t Hoogduitsch als zelfstandig naamwoord voor.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dalles , dals , zelfstandig naamwoord, mannelijk , nen dals, niemendal; t wordt nen dals, ’t wordt niks
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dalles , dalles , armoe, ook: niets
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
dalles , dalje , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze dalje kroige, een pak rammel krijgen (verouderd) – Deer komt dalje van (op). 1. daar komen nare gevolgen van (verouderd). 2. daar volgt veel regen of sneeuw op (verouderd) Vgl. Fries dêr komt dalje op. Mogelijk is het woord een variant van Bargoens dalles = armoede, narigheid.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dalles , dallaasj , mannelijk , dalles , platzak: jargon Hebreeuws. Ich höb den dallaasj: ik ben platzak. Von haabenichts zum dallaasj: kale jonder; armoedzaaier.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dalles , dalles , dallies , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook dallies = niemendal Ie hebt jao wel flink wat in de portemenee, is het neet? Ja, de besmettelijke dallies (Rui), Je zullen de besmettelijke dalles hebben! verwensing (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dalles , dólles , ellende , Wa héb’bek daar toch 'n dólles meej gehad. Wat heb ik daar toch een ellende mee gehad. Dat heeft heel wat hoofdbrekens gekost.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
dalles , dalles , d’n dalles hebben, het verloren hebben, niets meer bezitten na een spel (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dalles , dolles , Je krijg ’ne dolles mè ’ne kale kont betekent: je krijgt niets. Dolles mè ’ne kale kont heit ’r mir fedusie in ’m betekent: geen mens vertrouwde hem meer (zie: Slejen Aai, in A.B.C.-verhalen)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
dalles , dallaas , zelfstandig naamwoord , Frans Verbunt: ongemak; hij is ermeej gedallaast - hij zit met de rompslomp; Bosch dalles - moeilijkheden, armoede; WNT DALLES - uit jidd. 'dalles' = armoede < hebr. 'dalloet' = armoede
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal