elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dauwtreden

dauwtreden , dauwtreén , op den morgen van hemelvaartsdag met het eerste daglicht naar buiten, de jenever en brandewijnvlesschenin den zak, en na zich onder de boomen en priëlen verlustigd te hebben, voordemiddags, somtijds vroeg genoeg om naar de kerk te gaan, terugkeeren. Ook de meisjes zijn bij dit dauw-trêen! Men heeft iets dergelijks in het Sterrebosch te Groningen op den tweeden pinksterdag.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
dauwtreden , dautreden , zie: dautrappen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dauwtreden , dautreden* , vergel. ter Gouwe, de Volksvermaken, bldz. 219-223.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dauwtreden , douwtrèèn , dauwtrappen. ’t Douwtrèèn op Hemelvaersdag is deur de fietsn uut de moede erâk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal