elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dekgeld

dekgeld , dekgeld , wat betaald moet worden voor het laten bespringen van eene merrie of koe; ook Oostfriesch Zie ook: dekken 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dekgeld , dekgeld* , zie ook dekken * (bldz. 69.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dekgeld , dekgeld , het , dekgeld Ik heb het dekgeld nog niet betaald (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dekgeld , dekgèld , dekgeld (bok)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal