elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deuvekater

deuvekater , duivekater , (mannelijk) , duivekaters , kersbrood; in Waterland bestaat sedert lang het gebruik, op kersdag of bij andere feestelijke gelegenheden, zoogenaamde duivekaters te bakken. Dit brood wordt van fijn tarwemeel gebakken, bezit een eigenaardigen vorm, en smaakt zeer goed.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
deuvekater , duvekaoters , bastervloek als bijv. nw.: duvekaoterse jongs. In Gron. ook eene euphem. uitdrukking voor: duivelsch, enz. Bij v. Dale: wat duivekaters! = wat duivel! – In Gron.: duvekoater, duufkoater, een bijzondere vorm van wittebrood, dat in sommige streken om Nieuwjaar en Sint-Nicolaas wordt gebakken; NBrab: duivenkater, eene soort van koek, die, op Kerstmis aan kinderen wordt vereerd; Kil. duyven-kater, eveneens als ʼt vorige; HD.Ofenkater, Neders. ovenkater = ovenkoek.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
deuvekater , duvekoater , duufkoater , wittebrood van bijzonderen vorm, dat in sommige streken om Sint-Nicolaas en Nieuwjaar wordt gebakken om aan kinderen te schenken. Noord-Brabant duivenkater, eene soort van koek welke men op Kersttijd aan kinderen vereert. Kil. duyven-kater, eene soort van koek, die, als nieuwjaarsgeschenk op Kerstmis ten geschenke wordt gegeven. (Voorheen begon het Nieuwjaar met Kerstmis). Hoogduitsch Ofenkater, Nedersaksisch ovenkater = ovenkoek. – Het woord: duivekater zou eene samentrekking zijn van deux fois quatre; ’t komt ons aannemelijker voor dat ons duufkoater zooveel is als: duivel of duiveltje, daar de neijoarsstoetjes in den vorm van kereltjes werden en ook nog worden gebakken, die op duiveltjes moesten gelijken. Zie: duufker en vlg. ’t Oostfriesch dövekater, düvekater, en het Westfaalsche düker = duivel; de düker hale!
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
deuvekater , deuvekater , duivekater , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast duivekater. Een bijzonder soort van tarwebrood, dat alleen met Kersttijd gebakken wordt. Vroeger werd het vooral gebruikt om broodsop te maken voor het middagmaal op de 2de Kerstdag. Tegenwoordig is het enigszins gezoet en wordt het bij wijze van lekkernij in plaats van ander brood gegeten. De deuvekaters zijn een zeer dicht en vast gebak van bijzondere gedaante. Zij zijn langwerpig, maar lopen naar de uiteinden zeer puntig toe; van boven zijn er een groot aantal diepe evenwijdige kepen in gemaakt en in de lengte nog enige insnijdingen daaroverheen, wat het brood een zeer stekelig uiterlijk geeft. Het bakken van dergelijke broden op Kersttijd zal wel tot de heidense tijd teruggaan. Wellicht zijn de deuvekaters een afbeelding van het de zonnegod gewijde everzwijn. In andere streken heeft de deuvekater een enigszins andere gedaante; vgl. b.v. HALBERTSMA 799. – Eertijds waren deuvekaters een gewoon kerstgeschenk aan familie en knechts, en het woord komt in die zin ook bij 17de-eeuwse schrijvers herhaaldelijk voor, b.v. bij HOOFT en BREDERO; zie ook KIL. De oorsprong van deuvekater staat nog niet vast. De gewone afleiding uit deux fois quatre, omdat het brood in vieren oversneden en dus in achten gedeeld was (ook door DE VRIES in zijn Warenar verdedigd) is onjuist; een deuvekater is niet in 2 x 4 of acht stukken verdeeld, wat wel met sommige andere broden, b.v. achterlingen en stroopbrood, het geval is. Bovendien komt deuvekater reeds in 1450 voor als bijnaam van een bakker te Leiden (Navorscher 3, bijbl. xxxj). Dat het Hollandse gebak in de Middeleeuwen met een onjuiste Franse naam zou zijn benoemd is ongerijmd. Eerder is aan te nemen, dat het woord werkelijk samenhangt met duivekater als benaming voor de duivel, doch het rechte van de zaak ligt nog in het duister. || We stuurden met Karstijd altijd ’en groote deuvekater na de peten (tantes). Mag ikke nog ’en stuk duivekater? (Wij) ordonneren ..., dat van nu voortaen alle de Backers in den Banne van Oost-zanen sullen gehouden wesen haer Deuvecaters ende Paes-brooden te backen op haer gewichte, soo van een pont, twee pont, ende soo nae advenant van waerden ..., ende voorts sal den Backer de prijs ende het gewicht gehouden wesen op den Deuvecater te setten, LAMS 731 (a° 1652).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deuvekater , duvekoater* , vgl. dekselkoaters ; bij v. Dale komt “deuvekater” ook in twee beteekenissen voor; (ook bladz. 14): “deux fois quatre” naar den vorm, namelijk dien van een 8.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
deuvekater , deuvekater , (Kerst)brood van bepaalde vorm.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
deuvekater , duvekater , duvelkater , Ook duvelkater = drommels De duvekater, det was mooi! (Bro), Duvelkater, wat kreeg e daor een laoge klappen (Emm), Dat zal niet gebeuren, um de duvekater niet (Mep), (zelfst.) Hij mus as de duvekater hen huus als de weerlicht (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
deuvekater , dûvekäter , (Gunninks woordenlijst van 1908) bastaardvloek. Gunninks woordenlijst van 1908: Te dûvekäter!
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
deuvekater , duvelkaeter , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. fijn gebak, duivekater, kerstbrood 2. rakker van een jongen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
deuvekater , duvekaeter , duvekater, duvelkaeter, duvelskaeter, duvelkater , tussenwerpsel , duivekater, drommels, bijv. Och duvekaeter haele nog toe ach wat een toestand, potverdorie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
deuvekater , duvelskaters , (tussenwerpsel) , allemensen, allemachtig!
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal