elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: diknek

diknek , [rijk persoon] , diknakke , voornaam en rijk ingezeten van een dorp. Gron. diknek = rijk man, vooral rijke boer.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
diknek , diknek , voor: rijk ingezeten van een dorp. Drentsch diknakke. Vgl. dikke boer.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
diknek , diknek , zie dikke boer *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
diknek , diknek , zelfstandig naamwoord de , Rijkaard, rijke boer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
diknek , diknak , de , 1. iem. met dikke nek 2. rijkaard, kapitalist Klaaiboeren binnen diknekken (Eco), Die diknekken dreit zich der altied wel uut (Hgv), Bij de Woldboeren bint een bult diknakken (Rui) 3. dubbel maatje (Zuidwest-Drenthe, zuid) As de bere sneden mus worden, haalden ze altied een diknekke jenever (Hgv), zie ook körtnak, dikkop
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
diknek , doeknak , de , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = kapitalist Die man had een bult geld, het was een dikke doeknak (Een), zie ook diknak
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
diknek , diknekke , diknek , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand met een dikke nek 2. iemand met veel geld
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal