elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dit

dit , dut , Dit.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
dit , dit , aanwijzend voornaamwoord: dissen, dit voor deze
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
dit , dit - dat , in den verhaaltrant, bv.: dat wicht is tou dijnst oet, is altied dit of dat mit heur, zooveel als: die meid is weggezonden of weggeloopen, en daar bestaan altijd redenen voor, welke die dan ook mogen zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dit , ditte , zie: datte.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dit , dit , (aanwijzend voornaamwoord) , zie die.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dit , ditte , didde , voor “dit”; zie datte * (bldz. 510.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dit , dit , aanwijzend voornaamwoord , zie: disse
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dit , dit , onbepaald voornaamwoord , dit
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dit , dut , dutte , aanwijzend voornaamwoord , Dit. Zegswijze tussen dut en dat is ok nag wat, er is ook nog een middenweg; verzwaarde vorm dutte | Wou je dutte of datte?
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dit , dit , dit. Ein ditje en ein dètje: het een en het ander.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dit , dut , aanwijzend voornaamwoord , dit (LPW: Lop, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 51) en Gouda (Lafeber 1967, p. 86).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
dit , dit , ditte, ditten, dut , Zelfst. gebr. ook ditte (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), ditten (Midden-Drenthe), dut (Zuidoost-Drents veengebied) = dit Dit hoes is mij te duur (Wijs), Niks is makkelker as dit (Row), ... as ditte (Smi), ...as dut (Bov), Hij had nog van ditten of datten te dooun van alles en nog wat (Eex), Hie is nogal vaak van dit op wat aans wispelturig (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dit , di , dit.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
dit , dit , ditte , (Kampen) dit
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dit , dit , ditte , aanwijzend voornaamwoord, zelfstandig gebruikt , dit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dit , dit , aanwijzend voornaamwoord, bijvoeglijk gebruikt , dit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dit , dut , dutte , aanwijzend voornaamwoord , dit Ik heb dut en ik heb dat, welleke willie hebbe? Ik heb dit en ik heb dat, welke wil je hebben?; dutte dit Nou, dut ken ik wel zegge; zukke rommel as dutte is niks waerd Nou, dit kan ik wel zeggen; zulke rommel als dit is dient nergens voor
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
dit , di , ditte , dit
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
dit , ditte , (zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord) , dit.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
dit , ditte-di , dit , di of ditte was dichterbij dan da of datte = dit was letterlijk dichterbij dan dat-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
dit , di , ditte , dit , Di pèrd. Dit paard., Ditte wâr ’t dan. Dit was het dan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
dit , du boek , dutboek , dit. , du, dut boek
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal