elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dokteren

dokteren , docteren , werkwoord onder docters handen zijn.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
dokteren , doktêrn , = mestêrn = meedsinijêrn (medecijneeren) = onder geneeskundige behandeling zijn, Drentsch meistern, Zeelandsch meesteren, Friesch, Overijselsch meistern; mit wel dokter ie? doktern kost geld. – mestern meer in ’t algemeen: middelen ter genezing aanwenden, ’t zij die van een’ geneesheer of van een kwakzalver komen. Vroeger vooral had het ook meer betrekking op uitwendige kwalen. (v. Dale: dokteren = vaak van eenen geneesheer gebruik maken.) Bij Hooft, en o.a. Jes. 51:9 meesteren = verplegen, heelen, genezen.
schertsend voor: aan stukken smijten, breken van glas- of aardewerk; wel het dat weer dokterd? = wie heeft dat nu weer gebroken?
praten, keuvelen; hij zat doar te doktern, kwam gijn en’ an; hij het mie ’n hijle bult veurdokterd = hij heeft mij heel wat verteld, maar ’t had niet veel om ’t lijf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dokteren , doktern* , 1, ook Nederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dokteren , dokteren , zich onder doktersbehandeling stellen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dokteren , doktern , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. dokteren Wat scheelt hum? Hij is aordig an het doktern onder behandeling (Zey), Ie mut niet teveule zulf doktern, det is niet goed (Ruw), Dat hef e mooi veur mekaar dokterd door handigheid voor elkaar gemaakt (Bov) 2. flikflooien Ze dokterde der mooi met om (Row), Hie doktert mooi, mar ik trappe der nog niet in (Flu) 3. redeneren, praten Hij kan wel wat wies wèen, mar ik mag hum wel geern een poosien heuren doktern (Koe), Hij kan gezellig doktern (Die), Wat staoj toch te doktern, ik weet jao wal, dat er niks van an is als iemand zichzelf vastpraat (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dokteren , dòkteren , dokteren, knutselen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dokteren , dokteren , werkwoord , dokteren: als dokter optreden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal