elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dooddoen

dooddoen , dood doun , in: dat dut hōm de dood = dat zel hōm de dood doun = daaraan, of: ten gevolge daarvan zal hij sterven; ’k heb ijnmoal deur ’t ies zeten en dat har mie de dood hoast doan = ’k ben eens door ’t ijs gezakt en dat had mij bijna het leven gekost.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dooddoen , dood doun* , ook elders en tevens figuurlijk.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dooddoen , dood doon , werkwoord , slachten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dooddoen , dooddoen , werkwoord , doodmaken, dooddoen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal