elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drager

drager , draogers , de personen, gewoonlijk acht in getal, die de kist op eene lijkbaar naar het graf dragen; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
drager , droagers , personen die de zaadschooven in het dorschkleed dragen. Voorheen kregen deze in het Oldampt twee beschuiten buiten den gewonen kost, even als de eigen maaiers. In de Ommelanden verdienen de droagers vijftig cents per bunder meer dan de andere zaaddorschers, nl. per dag. – Ook: de acht of tien mannen die een lijk op eene draagbaar naar het graf dragen (ook Drentsch) Vroeger hadden de gilden voor droagers en luders te zorgen, thans zijn in sommige gemeenten voor het dragen personen aangewezen die ook door haar bezoldigd worden. Vgl. dragklijd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drager , droager , de vleeschvlieg; doar het ’n droager bie west, dat vlijs is kepot. Drentsch drager, brommert; Oostfriesch drager, Calliphora vomitoria, die graag hare eieren op gekookt vleesch legt, zoodat later hare maden daarin worden aangetroffen, Fransch mouche de la viande. Zie ook: droagen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drager , drager , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. zakkedrager.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
drager , droager* , Nederlandsch bromvlieg.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
drager , drääger , mannelijk , dräägers , drager van een lijk bij een begrafenis
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
drager , droager , grote blauwe vlieg
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
drager , draeger , mannelijk , draegesj , drager, lijkdrager, drager van smokkelwaar.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
drager , draeger , drager vánne fiets.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
drager , drager , de , dragers , Var. als bij dragen = 1. persoon, die iets draagt De dreger is dizze wek nog niet west venter met brood, koffie, thee etc. (Pdh), Bij een begraffenisse bint seins veer draegers (Die), Bij de deup was een familielid drager (Bor), Ik heb mit op jacht ewest as draeger (Wap), Hij was de drager van de bacillen (Dwij), De drager drag bij het törfgraven de törven vort met de vörk (Sle) 2. draagbalk De dragers van de brogge bint verrot (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drager , draoger , de , draogers , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = dikke, blauwe vleesvlieg Wij hadden een draoger op het vleis (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drager , drager , drager bij een begrafenis
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
drager , dreger , draeger, drieger , zelfstandig naamwoord , de 1. persoon die draagt 2. in het bijzonder: lijkdrager bij een begrafenis 3. drager van een bep. ziekteverwekker 4. blauwe vleesvlieg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drager , draeger , dreeger , zelfstandig naamwoord , draegers, dreegers , draegertie, dreegertie , drager bij een begrafenis Ze wiere te weerskante van het sterfhuis gebid, de eerste bure as vrind en de drie volgende as draeger Ze werden aan beide kanten naast het sterfhuis gevraagd, de eerste buren als vriend en de drie volgende buren als drager Ook dreeger
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
drager , drèger , zelfstandig naamwoord mannelijk , drègers , drègerke , bagagedrager , (fiets) drèger VB: Hèr hèt 'n gaanse bössel hoüt op d'n drèger, es dat mer good gèit.; drager VB: Vreuger wäore bié 'n begreffenis de naobers altiéd de drègers
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
drager , drieëger , (mannelijk) , drieëgers , drager, lijkdrager , Eine fietsedrieëger: bagagedrager van fiets.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
drager , draeger , draegers , bagagedrager
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal