elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drieblad

drieblad , [benaming voor voorwerp met drie elementen] , dreiblad , benaming der hanevoet.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
drieblad , dreiblad , het waterdrieblad.
Wanneer zich tusschen de twee bladeren eener plant een derde ontwikkelt, dan zegt men: hij stait in dreiblad. Zie ook: tweiblad, en vgl. koorsblad, alsmede art. moars.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drieblad , dreiblad* , zie ook tweiblad *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
drieblad , dreiblad , het , (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord, wm) = 1. plant, hanepoot (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, wm) 2. kalmoes, Acorus calames (de bitter smakende plant diende vroeger als surrogaat voor pruimtabak) (Zuidwest-Drenthe, noord)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drieblad , drieblad , zelfstandig naamwoord , et; waterdrieblad
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal