elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drift

drift , drift , (vrouwelijk) , sterke beweging; kudde, weg waar langs vee gedreven wordt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
drift , drift , drifte , bijzondere weg over eigen of eens anderen grond, inzonderheid een weg die van eene boerderij naar den publieken weg leidt; opdrift = opree = weg over een dijk. Nedersaksisch updrift, ook: afdrift; Oostfriesch drift = weg, invaart; Noordfriesch dräft = de weg, de opvaart naar het huis, waarlangs het vee gedreven wordt. Het Ommel. Landr. kent dit drift wèl, het Old. Landr., ofschoon drift en oetdrift juist daar in zwang zijn, niet, maar heeft daarvoor: uytwegh. Ommel. Landr. IV, 34 luidt: Heeft yemand een Indrift over eens anderen Land, die heeft oock een Uitdrift, ende mag daer over in ende uitgaen, in ende uit rijden ofte drijven, met viervoete Beesten, dan hij moet met Wagene en Peerden daer niet over varen. Te Groningen heeft men onderscheidene straatjes die den naam van Drift voeren, o.a. de Driemolendrift, de Ipenmolendrift, enz. Zoo heeft ook tusschen de Roamart (Radermarkt) en de Heerestraat eene 1e en 2e Drift, uitkomende op het gedempte Zuiderdiep, en eveneens een 1e en 2e Drift, uitkomende aan de Spilsluizen. Middel-Nederlandsch dreve, dreef. Eig. weg voor veevervoer, van driven. Kil. iter tritum, en dreve, rije van boomen, series longa arborum. Vgl. de Dreef te Haarlem, de Drift te Utrecht, wandeldreef, schoone dreven, enz. (Verdam). Ald.: Drecht is een bijvorm van dreft, dat zelf als bijvorm van drift, Middel-Hoogduitsch trift, voorkomt. Oostfriesch dâr geid ’n drift afer ’t land; fan de weg geid ’n drift of na mîn plâts. Annonce: “Heden had de aanbesteding plaats eener bepuinde uitvaart van de behuizing van – tot den grindweg Westerwijtwerd, ter lengte van 1379 meter.” (1876). – drift is kennelijk van: het drijven van beesten (over eigen of eens anderen grond), wat later, toen het grasland in bouwland werd herschapen, tot rijweg, ree werd uitgebreid. Vgl. drifte.
drift in de lucht = sterke beweging der wolken; op drift komen, of wezen = aan den gang komen met betrekking tot eene reis, en zooveel als: vertrekken, en: vertrokken zijn; op drift moaken, of: zetten = iets zoover in orde brengen dat het zijn geregelden gang kan gaan; ook: iemand aan ’t werk helpen. Oostfriesch drift = beweging, gang, strooming; vaart: dat schip ligd in in de drift; de balken sünt in drift kamen; d’r sit so ’n drift in de lücht.
in drift naar den wal of dijk drijvende. ook voor: aan het werk; wie bin mit vief span peerden ien drift. Zie art. strandjen.
gang ter zijde van een huis, waarlangs men van de straat naar het achtergedeelte van die woning gaat, (Winschoten).
drifte, soort van weg die dood loopt, slop, nl. in dorpen; in de drifte bie joe woont ’n snieder, en te vergelijken met het Groningsche ganke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drift , drift , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie kippedrift.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
drift , drift* , is ook de naam van korte steegjes te Groningen, die op ’t water uitloopen of uitliepen. De naam schijnt er op te wijzen, dat het vroeger watertjes waren.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
drift , drift , haast. Verg. jacht.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
drift , drif , zelfstandig naamwoord, mannelijk , 1 aandrijvende kracht, jachtlust, 2 sterke stroming
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
drift , drift , (ouderwets), plaats waar dieren werden samengedreven
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
drift , drift , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze drift hewwe, haast hebben, heetgebakerd zijn. – Ientje op drift jage (make) 1. iemand prikkelen, kwaad maken. 2. iemands sexuele hartstochten prikkelen of aanwakkeren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
drift , drif , vrouwelijk , drifte , drifke , drift, jachtterm. Veer pakke noch ein drif: we drijven nog een stuk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
drift , drift , de , driften , 1. drift, kwaadheid Hij weur rood um de kop van drift (And), In drift doej wel ies wat, waor aj later spiet van hebt (Hol) 2. weg, steeg (veroud., meestal nog in gebruikt als straatnaam) Driften waren vrouger zandwegen, waor de kooien ’s aovends langes naor hoes dreven werden (Eel) 3. verplaatsing van wolken Der zit drift in de locht dit voorspelt goed weer (Gie) 4. (verkl.) een klein stukje, jagersterm (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Wij kunt nog wal een driftien doen, veurdaw hen hoes gaot (Sle) 5. gereedschap om planken in elkaar te drijven (Zuidwest-Drenthe, noord) Dit drieven gebeurde mit een drift (Dwi) 6. pit (Zuidwest-Drenthe, zuid) Det is ok gien gauwe, der zit gien drift in (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drift , drift , drift
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
drift , drif , 1. drift, woede. In drif doej altied dinge waor iej laeter spiet van heb. 2. kudde schapen. 3. weg waarover de schapen werden gedreven.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
drift , drift , zelfstandig naamwoord , de 1. het driftig zijn, aanval van woede 2. zandweg waar vee langs werd gedreven, nog bekend m.b.t. schapen 3. recht, mogelijkheid om vee te drijven (over land, langs een weg) 4. plaats waar men gewoonlijk over rijdt 5. drijvende beweging op vloeistof 6. drijvende, stuwende beweging van wolken 7. keer dat drijvers bij de jacht door te drijven een stuk terrein afwerken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drift , [aanspoelsel] , drif , aanspoelsel (Hattem).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
drift , drift , zelfstandig naamwoord , WBD big van acht tot twaalf weken, ook 'lôopvèèreke' genoemd (Hasselt); WBD III.4.4:189 'drift' = vuil in sloten of tegen dijken; Cornelis Verhoeven:  DRIFT, m. o.a. ook: jong varken; wsch. zo genoemd in een tijd dat varkens in een drift of kudde gehoed en langs wegen (dreven of driften) voortgedreven werden. Weijnen, Dialectaltlas: drift in T, ook 'Bag', 'kap/kabbe' en 'kuuske' (blz. 153); A.P. de Bont: drift II zelfstandig naamwoord. vr. - halfwassen varken; minder vaak 'drever'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal