elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dwarrelen

dwarrelen , dwirrêln , dwiddêln , warrelen, dwarrelen; ’t dwirrelt mie veur d’oogen, zegt men wanneer iets zich zoo beweegt dat men het niet duidelijk onderscheiden kan, of wanneer men uit gebrek aan licht een onduidelijk beeld verkrijgt. Kennelijk een bijvorm van: dwarrelen; evenwel hoort men nooit: dwirlwind, maar steeds: dwar’lwind. – dwirrêln, subject., dwarrêln object. opvatting. – gedwir’l = gevolg van onafgebroken, snelle bewegingen van voorwerpen voor ons oog. dwirrêln, dwiddêln, ook = drentelen. Hiervan: gedwidd’l. Vgl. bōddel, enz. Oostfriesch dwireln, dwirreln, dwirlen = zich snel draaien, draaiend zweven, in ’t rond bewegen, enz.; dat dwirld al’ mit mî in ’t runde; dat dwîreld mî för d’ôgen. Engelsch to twirl. Vgl. sirrêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dwarrelen , dwiddel’n , dwirrl’n *, ook: drentelen; vgl. bōddel *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dwarrelen , dwarreln , warreln , Met rekking in Veenkoloniën. Ook warreln in bet. 1. = 1. dwarrelen De bla dwarrelt alweer van de beume (Pdh), Kiek dat stoefzaand ies dwarreln, wij kriegt règen (Hgv), Alles warrelde in het rond deur die wind (Wei), Het heui warrelt alle kaanten op (Zdw) 2. doelloos lopen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Daor lupen ok wellen in de Broeken te dwarreln, die waren, dèenk, an het eier zuken (Sle), De jonges dwarrelt aover de straote (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dwarrelen , dwirreln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. dwarrelen Het blad dwirrelt over de weg (Row), De snei dwirrelde um de keet (Eri) 2. draaien Ik was zo mu, het dwirrelde mij veur de ogen (Ruw), De rokkies van de kinder dwirrelt in het rond, as ze ronddreit (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dwarrelen , dwärrelen , dwäddelen , (Kampen, Kampereiland) dwarrelen. Ook: dwäddelen (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dwarrelen , dwârreln , dwarrelen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dwarrelen , twirren , werkwoord , waaien met wervelwinden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dwarrelen , dirrelen , werkwoord , snel tollen, met draaiende bewegingen gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dwarrelen , dwirrelen , werkwoord , dwarrelend vallen en verder waaien van blad
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dwarrelen , dwarrelen , werkwoord , 1. dwarrelen 2. zich dwarrelend verplaatsen, dwarrelend, onvast lopen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dwarrelen , dwärrelen , (werkwoord) , dwärrelen, edwärreld , dwarrelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal