elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: edel

edel , édel , (bijvoeglijk naamwoord) , edel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
edel , edel , Het gebruik van dit woord strekt zich uit ook tot alledaagsche dingen; edel goudje, zegt de boer van granen, zaden, van schapen, enz.; de turfschipper zegt het van zijne turf, de visscher van zijne paling, enz., en zooveel als: het allerbeste in zijne soort; op zien edelst an de gang wezen = ijverig met iets bezig zijn, ook in ongunstigen zin.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
edel , eel , (bijvoeglijk naamwoord) , Edel; in het bijzonder van groente en ander voedsel: fijn, sappig. || Wat bennen die doppertjes eel vandaag. Ik heb toch zukke ele tuinboontjes. Mijn Vader kocht eens eene Kaas, … hij wou er een wat vet en eel, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 144.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
edel , edel* , ook in: op zien edelst = met veel ijver (ook in ongunstigen zin.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
edel , edel , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze edel en onedel, iedereen, lieden van elke rang of stand. | Edel en onedel komt deer over de vloer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
edel , edel , edel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal