elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eendvogel

eendvogel , eendvogel , ijndvogel , eend, en inzonderheid voor: eendengebraad, het vleesch van eenden, en dan ook als stofnaam: eendvogels bin, ook: ijndvogel is lekker; wie hebben van middag eendvogels, of: ijndvogels, of: ijnebroa eten; maar: wie hebben twintig eenden, of: ijnden. Spreekwoord: Elk schot is gijn eendvogel (of: ijndvogel) = niet alles gelukt; ook: van eene daad blijven de natuurlijke gevolgen wel eens uit, soms kan men iets straffeloos doen. Middel-Nederlandsch aentvogel, Middel-Nederduitsch ântvogel.
eend, ook als stofnaam; ijndvogels bin lekker = ijndvogel is ’n lekker eten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
eendvogel , eendvogel* , [bldz. 516], vgl. ijndvogel * [bldz. 581], eigenlijk: wilde eend; zie “eendvogel” bij v. Dale [4e druk.]
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
eendvogel , ijndvogel* , (bldz. 581), vergel. eendvogel * (bldz. 516); eigenlijk: wilde eend; zie “eendvogel” bij v. Dale (4e druk.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
eendvogel , eendvogel , de , eendvogel *Ieder schot is gien eendvogel elk schot is niet raak (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
eendvogel , entvoegel , entevoegel, eendvoegel , zelfstandig naamwoord , de; eendvogel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal