elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gemaak

gemaak , [opbrengst] , gemaok , alles wat noodig is tot een toereikend bestaan; in ’t gemaok zitten = zijne zaken zoo wel geregeld en in orde hebben dat men er behoorlijk van kan leven. on. gemoak, (mv. gemoaken) = opbrengst (in geldswaarde) eener boerderij; ’n goud gemoak = een niet onvoordeelig jaar; in ’t volle gemoak zitten = alles in overvloed hebben van eigen akker en van vee, vooral vleesch, spek, boter, eieren enz. Oostfr. gemâk = opbrengst eener boerderij, vooral van melkerij.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gemaak , gemoak , (meervoud gemoaken), voor: opbrengst in geld van eene boerderij; ʼn goud gemoak hebben = een voordeelig jaar hebben; klain gemoakje = geringe oogst, of: lage graanprijzen, of beide; de gemoaken bin slecht = de boeren hebben een slecht jaar; in ʼt vōlle gemoak (= in de vōlle kou) zitten = alles in overvloed hebben van eigen akker, boter en melk, inzonderheid spek en vleesch in den slachttijd; fig.: in ʼt gemoak zitten = zich vermaken, feestvieren, enz. “Willen de graanprijzen niet in de hoogte, dan moet het maar met iets anders beproefd worden, want – het moet anders worden met de gemaken, zal de zaak houdbaar zijn op den duur.” (Noordbroek 1889). “Men kan de opbrengst veilig op 20-30 mud per bunder schatten, hetgeen tegen den prijs van f 10 ongetwijfeld een goed “gemaak” mag worden genoemd.” (Oldampt 1869). “– toch is het aardappelgemaak al weer best, ver genoeg het best van alle andere gewassen.” (Veendam 1869). Friesch gemaak, Oostfriesch gemâk = opbrengst van eene boerderij, vooral van melkerij; Drentsch gemaak = alles wat noodig is tot een toereikend bestaan; in ʼt gemaak zitten = zijne zaken zoo welgeregeld en in orde hebben dat men er behoorlijk van kan leven. Zie ook: moaken 3.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gemaak , gemoak* , vgl. moaken * (ook bldz. 41); te vergelijken (alleen wat den vorm betreft) met Hoogduitsch Gemächt = maaksel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gemaak , t gemoak , 1. opbrengst van de akker 2. de winst van de handel
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gemaak , gemaak , het , Var. als bij maken = verdienste, opbrengst, winst Wij hebt de eerappels der oet, daor zit van het jaor goed gemaak in (Ndo), zo ook Eerappels is van het joor een goud gemaok brengen flink wat op (Eev), Wij moet dat straks mar uut ons gemaak betalen (Klv), Hij zat goed in het gemaak hij verdiende veel (Ruw), Wij hebt nog wat gemaek te koop (Dwi), Dat biest muw niet wegdoen, dan biw het gemaak kwiet dan zijn we de opbrengst aan melk kwijt (Hgv), Die laomer heb ik van het jaor weer een mooi gemaok in (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gemaak , gemaek , zelfstandig naamwoord , et; opbrengst van een bedrijf of delen daarvan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gemaak , gemaok , zelfstandig naamwoord , makelij (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal