elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geschapen

geschapen , [in een zekere gesteldheid verkerend] , geschaopen , in de uitdrukking: het recht is mij geschapen = ik bezit dat recht.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
geschapen , bieschoapen , zie beschoapen * (bldz. 501.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
geschapen , geschapen , Groot, klein geschapen zijn: een groote of een kleine mannelijkheid hebben.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
geschapen , geschoapen grond , maagdelijke grond, waaraan de mens nog niets heeft veranderd
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal