elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gesjochten

gesjochten , gesjochten , (bijwoord), in: gesjochten wezen = een verloren man zijn; as hij mie nijt betaalt den bin ʼk gesjochten; as ʼk te loat bie ʼt spoor koom den bin ʼk gesjochten; ʼk bin gesjochten = ik zie dat ik het spel moet verliezen; ʼk bin mit dat peerd gesjochten = met dat paard heeft men mij bedrogen; ʼk zit mit mien bijn gesjochten = ik kan niet loopen, enz. Zal tot het Bargoensch behooren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gesjochten , gesjochten* , hoort men ook elders in ons land, ʼt zal van Hebreeuwschen oorsprong zijn.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gesjochten , gesjochte , de dupe gesjochte zien de dupe zijn
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gesjochten , besjochte , mesjogge, gek.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gesjochten , gesjochn’t , berooid, zeer arm
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gesjochten , gesjochten , zonder geld; o mijn gesjochten, bewaar me er voor
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
gesjochten , gesjóchte , bargoens: arm en ellendig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gesjochten , gesjochten , gesjochte , Ook gesjochte (Midden-Drenthe) = 1. blut Nao Nörger maark binnen der veul jongelui gesjochten (Nor), Hij is zoe gesjochten, hij hef gien cent meer op zien geweten (Bro), Hij is dik gesjochten (Row), ...stok gesjochten flink in financiële moeilijkheden (Eco), Jan is maor een gesjochten jonge, maor zien maot is goed betoefd (Hgv) 2. armoedig Hij löp der gesjochten bie armoedig, slordig (Nsch) 3. niet goed wijs Die vent is zo gesjochten, zie laacht almaol um hum (Eex), Bi’j nou helemaole gesjochten! betoeterd (Wap) 4. de dupe, de sigaar Gesjochten is een beetie bedreugen worden (Dwi), Daor zits doe mooi mit gesjochten (Bov), Ja, mien jong, non binj gesjochten, non heb ik je te pakken; ie zult je straf niet ontgaon (Bei), Daor ben je mar gesjochten met as je zoiets overkomt (Klv), Ik kwame der aordig gesjochten of bekaaid (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gesjochten , gesjochten , bijvoeglijk naamwoord , 1. de pineut 2. armelijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gesjochten , gesjochte , bijwoord , [O, Jid] kind van de rekening Azzie dat doet dan bin je gesjochte Als je dat doet ben je het kind van de rekening
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal