elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gissen

gissen , güssen , (zwak werkwoord) , gissen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gissen , gissen , zie: zinnen .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gissen , gisn , werkwoord, zwak , raden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gissen , gissen , zwak werkwoord, overgankelijk , gissen, raden Wij gissen dat we de verkeerde weg te pakken hebben (Ass), Zie kunt der wal naor gissen, maor gien ien wet het zeker (Bor), Hij gist er maor wat naor (Dwi), Ik gisse wal een die het daon hef (Pdh) *Gissen döt missen (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gissen , gissen , gissen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gissen , gèsse , werkwoord , gès(t)j, gèszje, gegèsj , (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) gissen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal