elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: glaasje

glaasje , [klein drinkglas] , glassien , glaasje, ook Stad-Gron., Oostfr. Gron. glaske.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
glaasje , glassie , glassien, glaske , glassie (Hoogezand) = glassien (Stad-Groningsch) = glaske (Ommelanden enz.) = glaasje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
glaasje , glaske , (Ommelanden) = glaasje en: ruitje, of venstertje, Stad-Groningsch gloassien.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
glaasje , glaesien , glaasje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
glaasje , glassien , zelfstandig naamwoord , et 1. drinkglaasje 2. inhoud van een drinkglaasje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glaasje , glaesie , zelfstandig naamwoord , glaesies , 1. borrelglaasje Bij het lappe in de zwingelkêêt hadde ze metteralle een glaesie zonder voet Als er in de zwingelkeet gelapt werd om gezamenlijk drank te kopen, dronken ze met z’n allen uit hetzelfde glaasje zonder voet 2. borrel Mojje nog een glaesie ofgetrokke? Wil je nog een borrel bessenbrandewijn?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
glaasje , glèske , glôske , glaasje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
glaasje , glèèske , glaasje , Glèèsken óp? Lòt oe rèèje! Glaasje op? Laat je rijden!
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
glaasje , [druppel aan de neus] , gläsien , druppel aan de neus.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
glaasje , glòske , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , "glaasje; Vat nòg en glòske. Cornelissen ha den bijnaom van ""Bitterkesboer"", want hij waar groot van stuk en kos er veul aon van die glaoskes. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939); Ze dronken mee d'r tweeën enkelde glaoskes in de veurkaomer... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939); Cees Robben – vieze glaoskes vet van ’t roet... [namelijk de glaasjes met roet waardoorheen naar zonsverduistering wordt gekeken] (19540703); Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…gauw èfkes nòr Fonske Illese (Elissen), gauw en glòske bier drinke èn dan wir in et febriek!”"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal