elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gniffelen

gniffelen , gniffeln , zie: gniflachen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gniffelen , gniffêln , kniffêln , in ’t geniep en onhoorbaar een ander uitlachen, in de vuist lachen om eens anderen leed. In allen gevalle een hatelijk lachen, dat hier dan ook steeds in ongunstigen zin genomen en als onbetamelijk beschouwd wordt. Bij v. Dale: gniffelen (gewestelijk) = in de vuist lachen, zijn lachen verbergen; gniffelen, griflachen = glimlachen; Oostfriesch gniffeln, gniffellachen, Nedersaksisch gnifeln, den mond tot lachen trekken, en ook: guflachen = spottend lachen, synoniem met: grimlachen, maar dit uit boosheid en wraakzucht; Holsteinsch gniefeln = in zijn vuistje lachen = gnufgrienen (= Kil. grienen), echter welgemeend en niet onbetamelijk of te overluid lachen. (Volgens ten Doornk. zooveel als: aan het gelaat eene plooi geven alsof men de lettergreep gnif uitspreekt, en verwant met: knijpen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gniffelen , gniffeln* , vergel. kniezen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gniffelen , gnivveln , ingehouden lachen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gniffelen , gniffeln , gniefeln, gniefern, kniffeln, gnaffeln, knaffeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook gniefeln (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe), gniefern (Zuidoost-Drents zandgebied), kniffeln (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = gniffelen Gniffeln is achterbaks giecheln (Wsv), G. zat mor wat te gniffeln en streek de centen gauw in de buul (Eev), Zij zaten maar wat achter de haand te gniffeln (Hol), Niks zeggen, maor stillegies wat kniffeln (Vri), Ie wit nooit waj an dat wicht hebt, het gniefelt mar wat (Hijk), Wat steet e daor te gniefeln, ik heb een hekel an dat achterbakse gedo (Hijk), Hie stun altied te gniefern (Zwin), zie ook gniflachen; gnaffeln (Midden-Drenthe) = gniffelen Hie kan zo gemeen zitten te gnaffeln (Bal); knaffeln (Midden-Drenthe,Zuidwest-Drenthe, zuid) = achterbaks giechelen Die knaffelt wat achter de haand (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gniffelen , niffeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (dc) = gniffelen Nou mag onze domnee, as hij de kraant les, niffeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gniffelen , gniffelen , gniefelen, kniffelen , werkwoord , 1. gniffelen 2. stiekem kleinigheden stelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal