elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: godsblok

godsblok , godsblok , gorsblok , zie: blok 2, en: gods. West-Vlaamsch ne godsblok van ne vent = goede sul. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
godsblok , godsblok , zie blok *
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
godsblok , godsblok , m , goedzak, een verdraagzaam iemand.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
godsblok , gaodsblok , zelfstandig naamwoord mannelijk , gaodsblök , - , goeierd , joris goedbloed VB: Dè gaodsblök kêns te op z'n tiene goën sjtoën, daan wörd 'r nog neet giftig.; lobbes gaodsblok
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
godsblok , godsblok , zelfstandig naamwoord , goedzak (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal