elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keukelaar

keukelaar , [iemand die goochelt] , keukelder , goochelaar, Gron. keukelder, Oostfr. kökeler.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
keukelaar , keukelder , zie: keukêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
keukelaar , keukelder* , ook de familienamen Keukeler en Dekeukelaere komen elders voor.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
keukelaar , köökelder , mannelijk , iemand die acrobatische toeren maakt
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
keukelaar , keukelder , keukeler, keukelaar , de , keukelders , (Zuidwest-Drenthe, zuid, dva). Ook keukeler, keukelaar (Zuidwest-Drenthe, zuid) = goochelaar, z. ook bij ogenbekeukelderij
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal