elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grom

grom , grōm , het drabbige bezinksel in een vat dat op de moer ligt. Oostfriesch grumm = het dikke bezinksel in vloeistoffen. Vgl. v. Dale art. grom.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
grom , grōm* , bij v. Dale = ingewand, vuiligheid.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
grom , grommen , Vuiltjes, die op een drank of vloeibare spijs drijven.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
grom , grom , kind; dim.: grompie
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
grom , gromm , grummechien , kleine vuiltjes in een drank. Daor drief gromm in de melk; die is zeker niet deur de zieje ewes. Daor drif ’n grummechien in de melk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
grom , [bezinksel in koffie] , grom , grodder, grot , bezinksel in de koffie.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal